Recente wetgeving voor straftoemeting ondermijnt rechtvaardigheid

Delen:

uitbalansStraftoemeting behoort het resultaat te zijn van een juridische redenering door de strafrechter. In recente wetgevingsinitiatieven voor de invoering van bijzondere minimumstraffen en bij de recente beperking van de mogelijkheden om taakstraffen op te leggen, wordt dit deel van het rechterlijke werk echter gereduceerd tot het volgen van een marsorder door de wetgever. Zo wordt verhinderd dat de rechter de belangen die in een concreet geval op het spel staan, op een redelijke wijze tegen elkaar afweegt. Dit leidt tot uitholling van de rechtvaardigheid.

Dit betogen de strafrechtswetenschappers Marc Groenhuijsen en Tijs Kooijmans – beiden als hoogleraar straf(proces)recht verbonden aan het Department of Criminal Law van Tilburg Law School – in een preadvies voor de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht. Ze verdedigden het preadvies op 4 oktober 2013 in het Belgische Hasselt.

De grote straftoemetingsvrijheid die het de Nederlandse strafrechter mogelijk maakt om zoveel mogelijk ‘maatwerk’ te leveren, wordt van oudsher beschouwd als een belangrijk goed. Toch levert het strafrechtelijk systeem niet zelden uitkomsten op die moeilijk te begrijpen zijn. In hun preadvies ‘Bestraffing in Nederland’ stellen Groenhuijsen en Kooijmans daarom de vraag aan de orde hoe een consistente en systeemconforme straftoemeting kan worden gerealiseerd.

Via de genoemde recente wetgevingsinitiatieven wil de wetgever de rechterlijke straftoemeting sturen, met als belangrijkste gevolg een permanente spanning tussen de kaders die de wetgever stelt voor de straftoemeting en de wijze waarop de strafrechter daarvan gebruik maakt. In hun preadvies brengen Groenhuijsen en Kooijmans de systematische voor- en nadelen van een grote discretionaire ruimte van de rechter ten aanzien van de straftoemeting in kaart. Daarmee reiken ze oplossingsrichtingen aan voor wetgevingsinitiatieven die de rechter beogen te sturen op het terrein van de straftoemeting.

Groenhuijsen en Kooijmans betogen dat strafoplegging vooral moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de ‘Einzelfallgerechtigkeit’. Of in de concrete zaak een goede, rechtvaardige straftoemetingsbeslissing is genomen, kan worden bepaald aan de hand van 1) de ernst van het gepleegde feit; 2) de persoon van de dader; en 3) de persoonlijke omstandigheden van de dader. De rechter moet op die drie punten naar bijzonderheden speuren die een verantwoorde beslissing mogelijk maken en die de beslissing ook motiveren. Of een uitspraak van de strafrechter een onrechtvaardige uitkomst bevat, kan worden ingeschat door de uitspraak te vergelijken met andere beslissingen.

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven