‘Rechter moet lef hebben en nieuwsgierig zijn’

Opmerkelijk: rechter Willem van Schendel heeft een afkeer van een moreel oordeel. De vicepresident van de Hoge Raad blikt terug op 37 jaar rechterschap. Een gesprek over durf, nieuwsgierigheid en een blanco opstelling tegenover de verdachte: “Een daad kan heel naar zijn, maar dat betekent niet dat de dader een naar mens is.”

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email
‘Rechter moet lef hebben en nieuwsgierig zijn’
Foto: Chantal Ariëns

Over de vraag wat een goede rechter is, hoeft Willem van Schendel niet lang na te denken. “Je moet nieuwsgierig zijn en een beetje durf hebben”, antwoordt hij onmiddellijk. Met nieuwsgierigheid bedoelt hij dat een rechter geïnteresseerd moet zijn in mensen. Hij citeert zijn leermeester Theo Fransen,  vicepresident van de strafkamer in de rechtbank Rotterdam. Hij drukte Van Schendel op het hart: “Voor hetzelfde geld had jij daar achter het hekje gestaan.” Daardoor geïnspireerd verdiept Van Schendel zich altijd in de persoon van de justitiabele, of het nou om een strafzaak gaat of een civiele procedure. “Ik heb altijd geprobeerd blanco te staan tegenover degene die ik voor me had, en geen moreel oordeel te hebben. Een daad kan heel naar zijn, maar dat betekent niet dat de dader een naar mens is. Ik heb in een strafmotivering bijvoorbeeld nooit opgeschreven: ‘Hij ziet het kwalijke van zijn handelen niet in’. Dat vind ik een diskwalificatie van de persoon.”

Durf is ook een belangrijke eigenschap van een rechter, meent Van Schendel. “Als je een verdachte moet vrijspreken tegenover een zaal vol slachtoffers, moet je dat open en bloot doen. Je moet het ook aan de slachtoffers kunnen uitleggen. En als de hele wereld vindt dat het A moet zijn, moet je toch B durven zeggen.”

Stottercursus

Maar ook een nieuwsgierige en moedige rechter is er niet altijd zeker van dat zijn vonnissen het gewenste effect hebben. “Ik heb natuurlijk allerlei voorwaardelijke en taakstraffen opgelegd waarvan je hoopt dat ze werken. In elk geval één keer wist ik zeker dat ik met het strafrecht iets positiefs heb bereikt. Als politierechter kreeg ik een jonge verdachte voor me die een erg nare rol had gespeeld bij een overval. Hij stotterde enorm. Ik kreeg de indruk dat de jongen, vanuit onzekerheid over zijn handicap, stoer wilde doen met twee medeverdachten. Ik heb die jongen naar een stottercursus gestuurd, hoewel de officier van justitie daar fel tegen was. En het heeft geholpen, ik heb met kerst nog vaak kaarten van hem gekregen.”

Hoe legt u contact met een verdachte?
“Je moet het op je eigen manier doen. Niet te benauwd reageren. Je kunt best zeggen: ‘Je denkt toch niet dat ik dat geloof?’ Het gaat ook om de juiste toon en de bewoordingen. Bij een zedendelict komt een woord als geslachtsgemeenschap niet altijd over bij de verdachte. En het is belangrijk dat je je goed voorbereidt, zodat je niet de hele tijd in je papieren hoeft te bladeren.”

Gebeurt er iets met u als u de toga aantrekt?
“Je bent wel in functie hè. Ik was op mijn 33e al rechter, vrij jong nog. Je hebt onvermoed gezag, mensen aanvaarden je oordeel. Maar dat kan alleen als je de juiste vragen stelt, als je luistert naar de partijen en evenwichtig tot je oordeel komt. Je moet mensen aankijken en niet weglopen voor moeilijke dingen. Het stemt ook wel een beetje deemoedig dat je het laatste woord hebt.”

Malieveld

Het interview vindt plaats in juli, op een van Van Schendels laatste werkdagen voor zijn pensioen op 1 september. In zijn werkkamer op de vijfde verdieping van het gebouw van de Hoge Raad staan nog een paar verhuisdozen. Vanachter zijn bureau, op de hoek van het Korte Voorhout en de Prinsessegracht, kijkt Van Schendel uit op het Malieveld, epicentrum van demonstrerend Nederland. Opzij ligt het ministerie van Financiën, en ook het Binnenhof, de Raad van State en het ministerie van Justitie en Veiligheid liggen op loopafstand.

Die plek, in het hart van politiek en bestuurlijk Nederland, is wel degelijk relevant, vindt Van Schendel. “Het is bij de keuze voor het nieuwe gebouw (de Hoge Raad verhuisde in 2016 naar de huidige nieuwbouw, red.) belangrijk geweest dat we midden in Den Haag zitten, om duidelijk te maken dat de rechtspraak een van de onderdelen van de trias politica is. En natuurlijk heeft het betekenis dat we hier demonstraties op het Malieveld kunnen zien. Hier wordt heel duidelijk dat de Hoge Raad deel uitmaakt van de samenleving. Een van de taken is de rechtsontwikkeling: kijken wat het beste is voor de samenleving. En dat kan alleen als je weet wat er leeft.”

Als voorbeeld geeft hij het arrest waarin de Hoge Raad in april oordeelde dat een arts onder voorwaarden gevolg mag geven aan een schriftelijk verzoek tot euthanasie bij mensen met gevorderde dementie. “Dat is niet alleen een juridische vraag, je moet ook goed kijken wat in de samenleving de discussiepunten zijn en welke vragen je dus moet beantwoorden. Wij moeten in de strafkamer het evenwicht vinden tussen de verschillende belangen. Bij euthanasie zijn er zoveel belangen: van de betrokken partijen, van de burgers, de politiek en de maatschappij.” Hij verwijst naar het recente wetsvoorstel van D66 over voltooid leven, en vertelt en passant over zijn 96-jarige moeder. “Het gaat nog goed met haar. Voltooid leven vindt ze maar niks, ze heeft er plezier in.”

 Hoe brengt u als rechter de juridische en de maatschappelijke logica in evenwicht? De strafkamer onder uw leiding gaf Michael P. (de moordenaar van Anne Faber) vier maanden strafvermindering omdat de politie tijdens zijn arrestatie geweld gebruikte. Dat wordt niet door iedereen in de samenleving begrepen.
“In die vraag zit een tegenstelling die in werkelijkheid niet bestaat. Het is het belang van de maatschappij dat de dader wordt gestraft. Maar het is ook de taak van de Hoge Raad om te beslissen dat, zoals het hof heeft vastgesteld, er sprake was van een ernstige aantasting van de rechten van de verdachte. Er is door politiegeweld blijvend letsel toegebracht. Vervolgens heeft het hof de verkeerde conclusie getrokken dat daar geen sanctie aan verbonden mag worden. Wij zijn er om dat te corrigeren. Dan kunnen we de uitspraak vernietigen en terugwijzen. Maar dan komt er voorlopig geen eind aan de zaak, dat kost tijd, dus we hebben die sanctie zelf opgelegd, en daarmee een oplossing gezocht. Zo bewaken wij dat de regels worden nageleefd; dat is ook onze maatschappelijke taak: de belangen van alle betrokkenen afwegen.”

Na de uitspraak heeft Van Schendel met de nabestaanden van Anne Faber gepraat. “Ik heb van te voren gevraagd of ze dat op prijs stelden. Ze hebben gezegd dat de strafvermindering voelde als een klap in het gezicht. Ik begrijp dat.”

Vanuit de advocatuur klinkt overigens vaak het verwijt dat de Hoge Raad vormfouten te makkelijk toedekt. Advocaten lijken gesteund te worden door advocaat-generaal Bleichrodt, die onlangs concludeerde dat de Hoge Raad te terughoudend is bij het verbinden van rechtsgevolgen aan vormverzuimen door de politie en het Openbaar Ministerie. Hoe ziet u dat?
“Er was in de jaren negentig in de maatschappij terecht veel ophef over het feit dat veel vormverzuimen leidden tot niet-ontvankelijkheid van het OM of vrijspraak. De Hoge Raad heeft gekozen voor het model van afweging van de belangen van de maatschappij en de verdachte. Als elk verzuim van de politie tot niet-ontvankelijkheid of vrijspraak zou leiden, wat betekent dat dan voor het oplossen van misdrijven, voor de veiligheid? Dat moet je afwegen als rechter, en daar hebben we een genuanceerd systeem voor bedacht, waarin wordt gekeken welk belang is gediend met een sanctie. Het is nogal wat om te zeggen dat zo’n schending meteen leidt tot niet-ontvankelijkheid. Want tegenover het vrijuit gaan van de verdachte staat het leed van de slachtoffers.”

Doorgeladen pistool

Van Schendel vertelt over de eerste keer dat hij als rechter over zo’n vormfout moest oordelen. “Dat ging om een doorgeladen pistool dat bij fouillering werd aangetroffen. De wet schrijft voor dat er een ernstige verdenking moet zijn voor fouillering, maar die was hier niet. Moet je dan vrijspreken, het OM niet-ontvankelijk verklaren? Dan ga je voorbij aan het doel van deze wetgeving, namelijk voorkomen dat mensen met doorgeladen wapens lopen. Het automatisme van vrijspraak en niet-ontvankelijkheid willen we niet. Dat wil echter niet zeggen dat er geen sanctie kan volgen op fouten van de politie of het OM. Er kunnen bijvoorbeeld tuchtrechtelijke consequenties zijn voor de politie, of bewijsuitsluiting of strafvermindering. De gedachte is dat het OM en de politie leren van dit soort fouten. En er kunnen ernstige schendingen zijn waardoor het OM het recht op vervolging toch heeft verspeeld.”

Samen met de advocatuur heeft de Hoge Raad geprobeerd om te inventariseren of er situaties zijn waarin politie en OM herhaaldelijk de regels te overtreden. “Als dat namelijk zo is, dan kunnen we een streep trekken vanuit de gedachte ‘nou mag het niet meer, het OM en de politie hebben genoeg leermomenten gekregen’. Maar dat soort structurele fouten hebben we niet kunnen vinden.”

Tomatenplantjes

Na de middelbare school wilde Willem van Schendel eigenlijk archeoloog worden. “Maar mijn vader vond dat ik iets moest doen waar je iets aan hebt in je leven, en toen ben ik rechten gaan doen. Ik heb het met veel plezier gedaan.” Met een glimlach: “Uit het feit dat ik hier zit, blijkt wel dat ik er lol in had.”

Van Schendel studeerde civiel recht aan de Leidse universiteit, waar hij ook promoveerde. Hij ging na zijn studie aan de slag als wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit Leiden en rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Rotterdam. In 1983 werd hij benoemd tot rechter in dezelfde rechtbank. “Ik heb aan het rechterschap veel voldoening ontleend. Toen ik les gaf aan de universiteit, stond ik met een krijtje op het bord uit te leggen dat wanprestatie kon leiden tot schadevergoeding, en dat vond ik heel knap van mezelf. Maar als je rechter bent, dan zie je waar je het voor doet. Mijn eerste zaak ging over tomatenplantjes: of die voldeden aan de eisen. Dan zit je met twee partijen die alles over tomatenplantjes weten, en veronderstellen dat jij dat ook allemaal weet. Je moet als rechter in de praktijk vaststellen wat wanprestatie betekent, beoordelen wat de verschillende partijen en getuige-deskundige verklaren. Dat is het mooiste van het rechtersvak, je doet het voor mensen. Dat vind ik nog steeds, ook bij de Hoge Raad, waar je door de schriftelijke procedures nauwelijks procespartijen ziet.”

Van Schendel is van oorsprong civilist, maar heeft bij de rechtbank, het gerechtshof Amsterdam en aanvankelijk ook bij de Hoge Raad lange tijd afwisselend civiel en strafrecht beoefend. Sinds hij in 2012 voorzitter werd van de strafkamer van de Hoge Raad, beperkt hij zich tot strafrecht. Hij noemt de uitwisseling tussen straf en civiel uiterst vruchtbaar. “In het strafrecht loop je een aantal stappen af, in het civiele recht heb je geleerd om de hele redenering vanaf nul te formuleren. Dat houdt je scherp. Bovendien: het recht gaat soms over de grenzen van specialisaties heen. In het strafrecht heb je slachtoffers die schade hebben geleden: dat is civiel recht binnen strafrecht. Als Hoge Raad proberen we bij zaken op grensgebieden de kamer samen te stellen uit verschillende sectoren, maar het is nog handiger als je zelf verstand hebt van meerdere rechtsgebieden.”

Hoe hebt u de Hoge Raad zien veranderen in de afgelopen twintig jaar?
“Er is in positieve zin heel veel veranderd. Toen ik twintig jaar geleden binnenkwam, was de Hoge Raad een gesloten bastion. Persberichten waren er nauwelijks, en als er wel een persbericht kwam, stond er dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was… Het voorlichtingsbeleid is nu gelukkig anders, en dat geldt ook voor het contact met de gerechten. Toen ik nog bij het gerechtshof werkte, mocht je tijdens een tweejaarlijkse bijeenkomst als raadsheer soms vragen stellen aan de Hoge Raad. Dan schreef je de vraag zo intelligent mogelijk op, en dan kwam je hier en dan zei de Hoge Raad doodleuk: ‘Over dat probleem hebben we geen arrest gewezen. Daar kunnen we dus nog niks over zeggen’. Nu is er veel meer openheid en benaderbaarheid. We praten met rechters, cassatieadvocaten, het OM en andere betrokkenen zoals het Fonds Slachtofferhulp. Je hoort veel sneller welke vragen er leven. Kijk maar naar de euthanasie-zaak. Daar heeft de procureur-generaal een vordering tot cassatie in het belang der wet ingesteld. Het hoger beroep is overgeslagen.”

Dikastocratie

Van Schendel benadrukt dat de Hoge Raad niet alleen met de ketenpartners praat. “In niet-coronatijden ontvangen we studenten en leraren maatschappijleer. En samen met de rechtbank Den Haag hebben we een project voor jonge mensen uit verschillende geledingen van de trias die met elkaar praten over de praktische betekenis van de rechtsstaat. Dat zijn de mensen die de rechtsstaat overeind moeten houden in een lastige tijd. Kijk maar Polen en Hongarije, maar ook in Nederland zijn er voorbeelden van aantasting van de rechtsstaat.”

U doelt op Baudet en zijn dikastocratie?
“Onder andere. Je moet de rechts staat goed onderhouden.”

Er verschijnen om de haverklap rapporten over de gebreken binnen de strafrechtketen. Wat is volgens u het grootste probleem?
“Werkdruk, bezuinigingen, mislukte digitalisering: het werkt allemaal op elkaar in. Een oplossing heb ik niet. Wat de Rechtspraak betreft: je kunt wel nadenken over de opleiding van rechters. In mijn tijd − maar nu gaat opa vertellen hoe goed het vroeger allemaal was – had ik twee keer per week zitting. Dat gold in strafzaken en civiele zaken. Altijd dezelfde samenstelling; zelfde griffier, zelfde ondersteuning. Je had zelf de regie. Als een getuige pas een week later beschikbaar was, dan verschoof je het verhoor. Die ruimte had je. De afstemming is nu gecompliceerder geworden.”

U gaat met pensioen. Hoe gaat u uw tijd doorbrengen?
“Ik heb eerder verteld dat ik archeoloog wilde worden. Ik had het romantische beeld van opgravingen in de woestijn en zo, maar dat is er niet van gekomen. Ik heb er wel een levenslange liefde voor woestijnen en kamelen aan overgehouden. Als ik in Ethiopië aan de bron van de Nijl sta, in Iran door Persepolis loop of bij de Leeuw die Alexander de Grote in 324 voor Christus heeft opgericht voor het overlijden van Hephaistos, dan realiseer ik me dat ik deel uitmaak van die geschiedenis en het voorrecht heb om daar te staan. Ik zou binnenkort een paar maanden Arabisch gaan studeren aan de universiteit van Beiroet, maar door corona en de politieke situatie daar kan dat nu even niet.”

Gaat u als gepensioneerd rechter straks aan de slag om achterstanden weg te werken?
“Er zijn telefoontjes geweest, maar ik doe eerst een paar maanden niks. Eerst even afstand nemen en dan zie ik wel. Ik weet niet of ik zin heb om mezelf vast te leggen voor een zitting per week.”

Hoe ziet u de toekomst van de Hoge Raad?
“Ik heb er alle vertrouwen in. Kijk hoe we tijdens de coronacrisis gewoon hebben doorgewerkt. Dat kon omdat de stukken digitaal zijn en het mogelijk is om in alle drie de rechtsgebieden digitaal te procederen. Bovendien ondertekenen we digitaal, kunnen we gemakkelijk digitaal juridische bronnen doorzoeken en hebben we live streams. We zijn bevoorrecht dat we de afgelopen maanden rimpelloos hebben kunnen doorwerken. Ik hoop dat we daarmee een voorbeeld kunnen zijn voor de rest van de rechterlijke organisatie.”

Willem van Schendel verlaat de Hoge Raad dus met een gerust hart.

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Ook interessant:

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten.

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl

Scroll naar top