Het onderzoek, dat werd uitgevoerd in opdracht van het WODC, richtte zich specifiek op de zogeheten WETS-regeling: Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties. Conform de WETS is het in veel gevallen mogelijk om straffen die in een ander EU-land aan Nederlanders worden opgelegd in Nederland te laten uitvoeren. Het gaat dan niet alleen om gevangenisstraffen, maar ook om andere typen sancties. Hoofdvraag van het onderzoek was in hoeverre de Nederlandse WETS-erkenningsprocedure voldoet aan het EU-Handvest voor de grondrechten.
Beslissingsbevoegdheid
De belangrijkste conclusie die de onderzoekers trekken, heeft te maken met de positie van de minister van Justitie en Veiligheid: die is op dit moment eindbevoegd over de beslissing of een straf al dan niet in Nederland kan worden uitgevoerd, en op welke wijze dat dan moet gebeuren. Maar zo’n besluit zou in veel betere handen zijn bij de rechter, bevelen de onderzoekers aan. Dit omdat grondrechten voor een veroordeelde via een rechterlijke procedure veel beter gewaarborgd zijn.
“In de rechterlijke procedure zou de veroordeelde schriftelijk of mondeling worden gehoord en recht hebben op bijstand van een advocaat. De rechterlijke uitspraak dient gedeeld te worden met de veroordeelde en openbaar te worden gemaakt”, schrijven de onderzoekers. Zij adviseren niet alleen om de rechter als beslissende autoriteit aan te wijzen, maar gaan nog een stap verder: de rol van de minister zou geheel moeten komen te vervallen.
Knelpunten
De aanbeveling van de onderzoekers komt voort uit een aantal verschillende knelpunten die naar boven kwamen tijdens interviews met betrokkenen uit het werkveld. Zo blijkt dat overgenomen straffen in Nederland in de praktijk dikwijls sterk afwijkend uitpakken ten opzichte van de origineel opgelegde straf in het buitenland. “Dit komt doordat de regelingen voor voorwaardelijke (of vervroegde) invrijheidsstelling (VI) tussen EU-lidstaten nogal verschillen”, schrijven de onderzoekers daarover. “Vooral sinds 2021, toen Nederland een strengere VI-regeling ging hanteren.”
Onder de huidige WETS-regeling is het in principe mogelijk dat de minister rekening houdt met zulke verschillen en maatwerk toepast om de uitvoering van straffen minder te laten afwijken van de origineel opgelegde straf, maar in de praktijk doet de minister dat “meestal niet”, blijkt uit het onderzoek. Dat leidt momenteel tot extra, en vaak onnodige, juridische procedures: “De veroordeelde kan dan alleen nog via een kostbare procedure bij de burgerlijke rechter of via een gratieverzoek proberen om te voorkomen dat hij een langere straf moet uitzitten. Dit heeft geleid tot een sterke toename van het aantal gratieverzoeken.”
