Aardbeien

Delen:

Goedemorgen Literatuurvrienden!

Toen ik twee weken geleden Snoecks 2010 kocht, herinnerde ik me dat in Snoecks 2009 een mooi, ingenieus verhaal was opgenomen dat een plaats verdiende in dit feuilleton. Afgaand op de titel van het door Gerard Woodward geschreven verhaal, ‘Aardbeien’, zou men dat zeker niet verwachten, ook al zie ik sommigen onder u bij die vruchten meteen aan het kwekersrecht denken. Op dat rechtsterrein situeert het verhaal zich echter niet. Woodward klaart de verbindingsklus in het kader van een rechtszaak over een affaire die een universitair docent Industriële Economie – Dr. Newman – heeft gehad met een eerstejaarsstudente. Alhoewel Woodward in het midden laat welke straf Dr. Newman daar precies voor heeft gekregen, is wel duidelijk dat hij is veroordeeld en ontslagen. De rechtszaak heeft Dr. Newman te schande gemaakt: ‘toen de absurde details in de rechtbank nauwgezet uit de doeken werden gedaan, waren ze wekenlang een bron van amusement voor zijn collega’s’. Toch trekt dr. Newman – die nog extra getekend is door het leven: zijn dochtertje is op vierjarige leeftijd overleden en hij heeft een echtscheiding achter de rug vanwege de affaire – de universitaire deuren niet achter zich dicht. Hij aanvaardt een baan als hulp in de keukens van de personeelsrefter. Vernederend vindt dat hij dat niet, ook al zijn de keukens diep onder de grond verstopt (vier etages onder de personeelsrefter): ‘sombere vertrekken met gebarsten tegels en wankele roestvrije werktafels, waar in een half dozijn ovens de hele ochtend gebraad sudderde en waar elk uur in pruttelende terrines rijst werd gekookt, waar alles voor reuzen gemaakt leek en waar voortdurend een metaalachtige intercom schetterde, die het geluid zo hard versterkte dat een verlegen dienster, die op de eerste etage om kippendrumsticks vroeg, als de stem van een tirannieke god klonk’. Dit ondermaanse rijk wordt bovendien geregeerd door ‘een kwade, met pollepels gooiende, racistische Welshe ex-militair, die ervan genoot om tijdens het koken tegenover de hele keuken luidkeels verslag uit te brengen van zijn gewelddaden van het weekend’. Nooit had Dr. Newman kunnen bevroeden dat de in de refter – ook aan hem vóór zijn ontslag – geserveerde beef wellingtons en zalmterrines uit zo’n omgeving konden stammen.

Dr. Newman acht zich in de keukens zo uit zijn milieu – ‘academische kringen (…) – hun eindeloos competitieve discussies en hun overloeze sofisterij drongen zelfs nog tot in zijn diepste dromen door’ – dat hij geforceerd de taal van het keukenpersoneel tracht te spreken. ‘Maar terwijl de krachttermen van de koks en de afwassers haast onopgemerkt bleven, leidden zijn fucks en shits tot verbijsterde blikken bij de mensen die zulke woorden courant gebruikten. Eén keer (één keer maar) probeerde hij de keukenhulp die hij verving na te apen door de draak te steken met een collega die een sigarettenpauze nam op het laadperron: ‘Kom op, aan het werk, luie bliksem.’ Toen Ernie dat gezegd had, was dat op opgewekt hoongelach onthaald, maar toen Dr. Newman het probeerde, met precies dezelfde woorden en dezelfde intonatie, leidde dat weer alleen maar tot geschokte en verbijsterde blikken. En later, terwijl hij zijn overalls in zijn kastje opborg, hoorde hij de keukenhulp tegen een collega mompelen: ‘Heb je gehoord wat hij net gezegd heeft, dat ik niks uitvoer? Wie denkt hij wel dat hij is?’

Toch charmeert die vreemde wereld, waar alles het tegendeel is van wat hij in de bovenwereld gewend is, Dr. Newman. Het raakt hem dat ‘een afwasster, een oude taart, (…) met een zwaar Iers accent’ hem haar ‘lieve knul’ noemt en dat Ernie, een keukenhulp die hij vervangt, hem zijn ‘kantoor’ toevertrouwt: ‘een muffe ruimte vol rattenvallen achter de lift, met daarin een stoel, een bureau, maar geen telefoon. Er stond een bezem, en enkele grote, uitpuilende, half gescheurde kartonnen dozen, vol met dingen die niemand wilde: foldertjes met cadeau-aanbiedingen waarvan de geldigheidsdatum allang voorbij was; een pak plastic theelepeltjes, die overbodig waren geworden nadat de nieuwe cateringmanager had aangedrongen op metalen bestek.’ Maar dat is niet het meest dierbare bezit van Ernie: dat is een oude videospeler, en wel omdat daar een motor inzit die hij kan gebruiken om een draaimolen mee aan te drijven. Want Ernie is modelbouwer, althans daar is hij van overtuigd en daar moet alles voor wijken: zijn echtgenotes, zijn – een leven van misdaad leidende – kinderen en (schoon)familie. Ze vallen hem voortdurend lastig en omdat Ernie alleen en rustig leven wil, zit hij ‘s-avonds met een koptelefoon voor de televisie, zodat hij het kloppen op ramen en deuren niet kan horen. De politie zit hem al zijn hele leven op de hielen, maar slechts één keer is hij voor de rechter gekomen en nog wel voor een bagatel (‘omdat hij een kinderwagen zonder koplampen had voortgeduwd’). Eén agent heeft de pik op hem en dat gaat van vader op zoon: ‘Later had de agent het op de kinderen van Ernie gemunt. Hij had een van hen gearresteerd en hem de schromelijk overdreven beschuldiging van poging tot autodiefstal ten laste gelegd, hoewel de betrokken auto niet meer dan een oud wrak zonder wielen of motor was. Toen zijn zoon voor de rechter kwam, had Ernie hem verdedigd. ‘Ik zei: “De wet is een ezel, edelachtbare. De auto heeft godverdomme geen motor.” Maar hij werd toch veroordeeld. Twee maanden jeugdgevangenis.’ Ernie ziet dat Dr. Newman uit een andere wereld komt: ‘Jij zult wel nog niet veel ervaringen met de wet gehad hebben zeker? Misschien nu en dan eens een boete voor te snel rijden?’ Maar Dr. Newman moet het hoofd schudden, want hij rijdt niet.

Deze aardse dynamiek van het keukenleven creëert helderheid in het hoofd van Dr. Newman. Tijd om bij dingen stil te staan en te piekeren is er nauwelijks. Toch denkt Dr. Newman zo nu en dan nog wel aan de bovenwereld (als hij weer een beef wellington in de lift naar de refter ziet gaan). Zouden de collega’s nog steeds grinniken om de details van zijn rechtszaak? De krantenverslagen? ‘De eiseres voerde aan dat Dr. Newman zijn hand op haar linkerbil had gelegd. Meester Turner (de aanklager) vroeg haar hoe lang Dr. Newmans hand op haar bil had gerust. ‘Ongeveer tien seconden’, antwoordde de eiseres. ‘En bleef Dr. Newmans hand in die tijd stil of bewoog hij?’ ging meester Turner door. ‘Hij bewoog’, antwoordde de eiseres. Op de vraag om welke beweging het ging, zei de eiseres dat Dr. Newman in haar bil had geknepen. ‘En dus kan die beweging op generlei wijze beschreven worden als wat we “een hartelijk, speels tikje” zijn gaan noemen?’ De eiseres zei dat ze niet vond dat de beweging zo omschreven kon worden.’ Daar viel niet tegen te vechten, had Dr. Newman geconcludeerd, zeker niet nadat de aanklager de jury vroeg of die zich kon voorstellen dat ‘een jonge vrouw van vierentwintig een zestig jaar oude, pijprokende man met een rosse baard als object van haar seksuele attenties kan zien?’ en je advocaat zich bij zo’n vraag in stilzwijgen hult. ‘Deze zaak zou dus om de esthetische waarde van gezichtsbeharing gaan?’ Het ging van kwaad tot erger, want alhoewel eiseres verklaarde dat ze Dr. Newman in een armklem had genomen (was dat niet wat overdreven?, vroeg de jury zich af), baseerde ze dat ‘gebruik van geweld’ op angstgevoelens en een ‘ik kon niet anders’: ‘Ze waren alleen in zijn kantoor, hij had avances gemaakt en probeerde haar hals te kussen. Ze voelde zich in het nauw gedreven in een hoek van zijn kantoor.’ Dat Dr. Newman had gezegd: ‘Laat alstublieft mijn hoofd los, ik krijg geen adem’ werd niet in acht genomen, want ‘het was moeilijk uit te maken wat zijn precieze bewoordingen waren.’ In rechtbanktekeningen was Dr. Newman’s geafficheerd ‘als een reusachtige demon met een sik, die met uitgespreide vingers (ze hadden net zo goed op klauwen kunnen eindigen) naar de angstige vrouwelijke figuur graaide die ineengedoken voor hem stond.’ Daar is geen jury tegen bestand: ‘Wat zou het voor de jury ook moeilijk zijn geweest om de flirterige vrouw te zien die hij had gekend, die gedurende haar lessen voortdurend over haar slappe vriendjes kletste en hem intussen vroeg wat hij van haar nieuwe topje vond. Een rijpe studente, vierentwintig jaar oud. Oud genoeg om getrouwd te zijn en kinderen te hebben, en toch leek ze iedereen blijkbaar ineens zo broos en kwetsbaar als een kind.’ Ook een psychiater doet daar niets aan. Het door de psychiater aanhalen van de dood van het dochtertje van Dr. Newman wordt gezien als ‘een wrede poging om medelijden op te wekken en zijn daden te rechtvaardigen.’ Gelukkig sterkt de fysieke arbeid in de keuken Dr. Newman. Dat is andere ‘paté’ dan een uurtje staand lesgeven. ‘Boven, op de derde etage, zaten de professoren zich aan dezelfde tafel als altijd vet te mesten met rundvlees en croûte, asperges in botersaus en glazen bordeaux.’

Dan is het tijd ‘de man van Rentokil’ in Ernie’s kantoor bij Dr. Newman te laten verschijnen. Hij komt op ratten- en muizeninspectie. De man van Rentokil zet Dr. Newman op het spoor van het vergif waarmee de vallen zijn uitgerust. Niet aanraken, die dingen, krijgt Dr. Newman te verstaan: ‘In een zaak waar eten wordt geserveerd, moet je de rattenvallen aan de professionals overlaten. Als je wat van dat spul op je handen krijgt, al is het maar een klein beetje, en het belandt op het eten, dan kun je hier met een crisis zitten. Wees dus gewaarschuwd.’ Maar een gewaarschuwd man telt niet altijd voor twee en dus test hoeveel Dr. Newman hoeveel gif er in een val zit: ‘binnenin zag Dr. Newman het propje waarin zich het gif bevond. (…) Het was in elk geval zo vochtig dat er druppels verschenen als hij er met de vingertoppen op duwde. (…) Dr. Newman bracht zijn vochtige vingertop naar zijn neus en snoof, voorzichtig. Hij rook een heel lichte zweem van iets fruitigs en zoets. (…) Hij dacht eraan eens te proeven.’ Maar dat doet Dr. Newman niet. Bij de ingang van de keuken wast hij zijn handen bij een van de dispensers met handontsmettingsmiddel. Verplicht om te doen, maar niemand doet het.

‘En toen kwamen de aardbeien’: Dr. Newman is inmiddels volledig ingeburgerd en kent de mores van de keuken van binnen en van buiten. ‘Ze – de aardbeien, GvR – werden geleverd door twee gespierde, onbehouwen mannen met een enorme buik en ouderwetse tatoeages op hun voorarmen (…). Ze behandelen de aardbeien uiterst omzichtig: ze liepen met de doosjes in hun harige handen alsof ze een baby uit zijn wiegje hadden getild en zetten ze voorzichtig neer in een kooi met hoge wanden. Vijftig aardbeiendoosjes.’ Voor een speciale gelegenheid. ‘Ze waren zo schitterend rood, zo verbijsterend rood in de duistere keukens. Het leek wel alsof ze achter een zuil vandaan op hem waren gesprongen en ‘hier zijn we’ hadden geroepen. En ze waren alleen. Geplukt en gewassen wachtten ze op de volgende etappe in hun tocht door de keukens. Hij voelde de aandrang ze te beschermen. Hij had de neiging om tegen de koks te zeggen: ‘Gaan jullie ze hier helemaal alleen achterlaten of zo?’ Hij was de eerste geweest die ze door zijn handen had laten gaan.’ Maar het is al laat en Dr. Newman keert terug naar zijn kantoor waar hij een klein met gif gevuld parfumflesje te voorschijn tovert. Lang heeft hij gedaan over het verzamelen van het gif. ‘Dr. Newman schroefde de weerbarstige zwarte stop los en rook even aan de open flessenhals. Iets zoets. Amandelen.’

Dr. Newman’s geurervaring wordt echter ruw doorbroken door een dreun uit de keuken veroorzaakt door de val van een metalen voorwerp, gevolgd door de schreeuw van een vrouw uit de ontvolkte keuken. Hij spoedt zich naar de keuken en ziet de ramp: een keukenmeid heeft een dienblad vol aardbeientaartjes op de grond laten vallen. ‘Het leek alsof er een misdrijf met geweld was gepleegd. De vloer was bedekt met grote, weelderige rode vlekken’. De keukenmeid is volledig in paniek en Dr. Newman schiet haar te hulp: conform hetgeen hem voorgeschreven is in de door hem gevolgde gezondheids- en veiligheidsopleiding, zet hij zich aan de grote schoonmaak, zodat de keukenmeid nieuwe taartjes kan maken. Onbewust moet Dr. Newman weer aan de affaire denken. ‘Maar hij voelde de drang om haar te helpen.’ Ook met het maken van aardbeientaartjes, maar niet dan na zijn handen goed gewassen te hebben. ‘Hij haastte zich terug naar de tafel, bij Kirsty, en ze werkten schouder aan schouder. Nu en dan keek ze hem heel even dankbaar aan.’

Boven de keuken is een promotiefeest. Normaal gesproken zou Dr. Newman present zijn geweest, had hij alle rituelen van dat feest van dichtbij meegemaakt, maar Dr. Newman mist het in de keuken geen moment. Naar boven teruggekeerd en door de hoofdingang naar buiten lopend, heeft hij aanvankelijk zelfs zin linea recta terug te keren naar de keuken. Hij voelt zich niet thuis in de wirwar van recipiërende mensen totdat hij iets aangenaams ruikt: ‘Een zweem van een parfum zweefde voorbij. En hij dacht aan de aardbeien, en hoe ze nog maar pas door al die mensen waren opgegeten en daardoor nog met hun adem meedreven. Of misschien was het de geur van het fruit die nog om zijn handen hing, ook al had hij maar weinig aardbeien in zijn handen gehad. Toen hij aan zijn vingertoppen rook, roken ze zoet.’

‘Ontsmet’,
BANNING N.V.

Gino van Roeyen

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Ook interessant:

Scroll naar boven