In haar uitspraak van 26 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2294, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een belangrijke uitspraak gedaan voor boetebesluiten. FNV stuurde op 9 november 2020 een brief aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat naar aanleiding van een bericht op de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) dat aan een transportonderneming een boete was opgelegd. In die brief stelde FNV dat zij belanghebbende was bij het boetebesluit en dat zij stukken wilde en haar reactie wilde geven. De minister stuurde op 23 december 2020 een brief terug waarin de hij oordeelde dat FNV geen belanghebbende was en dus ook de stukken niet kreeg.
De Afdeling oordeelt dat dit standpunt niet juist is. Bij opstellen van bepalingen in de Awb over bestuursrechtelijke boetes heeft de wetgever geen artikelen opgenomen over de positie van derden. Daarom gaat de Afdeling ervan uit dat de algemene definitiebepaling van de Awb over belanghebbenden gewoon geldt. Of iemand belanghebbende is bij een boetebesluit moet dus worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:2 Awb. De Afdeling wijst er daarbij ook uitdrukkelijk op dat leedtoevoeging aan de overtreder niet het enige doel van een boete is. Een boete kan er ook voor zorgen dat overtredingen stoppen en regels worden nageleefd. Als alleen leedtoevoeging het doel is, zal iemand niet snel belanghebbende zijn. Maar als andere belangen in het spel zijn (bijvoorbeeld de arbeidsmarkt- of concurrentiepositie) kan dat anders zijn, gelet op de afschrikkende werking van een boete. Of dat het geval is, zal per geval moeten worden beoordeeld, aldus de Afdeling.
De Afdeling heeft er oog voor dat het deelnemen van derden aan een boeteprocedure vervelend kan zijn voor degene aan wie de boete is opgelegd, bijvoorbeeld als het gaat om bedrijfsvertrouwelijke dossierstukken. Die praktische bezwaren moeten maar met de bestaande regelingen van de Awb worden opgelost, aldus de Afdeling. Als de wetgever dat anders wil, moet de wetgever dat maar regelen, zo oordeelt de Afdeling bovendien in een terugkoppeling aan de wetgever.
Wij kunnen deze uitspraak van de Afdeling goed volgen omdat de Awb geen aanknopingspunten biedt om een apart belanghebbendebegrip voor boetebesluiten te hanteren. Aan de andere kant wordt in het omgevingsrecht wel gewerkt met criteria die voor een bepaalde afbakening zorgen van belanghebbenden (neem het bekende ‘10 keer de tiphoogte’ bij windturbines). Omdat de Afdeling in haar uitspraak ruimte biedt voor een ‘geval per geval’ benadering, zullen in de praktijk toch per boetebesluit verschillen kunnen ontstaan.
