Dinsdag 16 juni publiceerde het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) de rapporten Vinkjes in het strafrecht? en Scherp op selectiviteit. Aanleiding hiervoor was de motie van Michiel van Nispen (SP) uit 2018, waarin het kabinet wordt opgeroepen om onderzoek te laten uitvoeren naar ‘klassenjustitie’ in Nederland. Vinkjes in het strafrecht geeft een cijfermatig inzicht in patronen van ongelijkheid. Het soort en de hoogte van straffen worden daarin gerelateerd aan vier sociaaleconomische kenmerken van verdachten: opleidingsniveau, arbeidsmarktstatus, huishoudinkomen en woonstatus – de vier ‘vinkjes’.
Vroege sortering
Uit het onderzoek blijkt dat verdachten met gunstigere sociaaleconomische kenmerken bij vergelijkbare delicten niet mínder vaak worden gestraft dan andere groepen. Maar dit wordt wel vaker via het Openbaar Ministerie – middels boetes, taakstraffen of strafbeschikkingen – afgedaan, en minder door de rechter. “Deze vroege ‘sortering’ in de strafrechtketen kan resulteren in meer zichtbare straffen voor verdachten met een zwakkere sociaaleconomische positie”, aldus het WODC, nu alleen rechtszittingen openbaar zijn. Die sortering heeft ook een effect voor de zwaarte van de straffen: alleen de rechter kan een gevangenisstraf opleggen.
Hogere straffen
En dat blijkt in de praktijk. Verdachten met een zwakkere sociaaleconomische positie krijgen bij vergelijkbare soorten delicten gemiddeld váker gevangenisstraf, die ook nog eens langer duurt. Wie sociaaleconomisch sterker staat, krijgt vaker een geldboete, en het te betalen bedrag is dan ook gemiddeld lager. De verschillen kunnen ‘substantieel’ zijn, concludeert het WODC. Migratieachtergrond – eerder verscheen Van verdenking tot vrijheidsstraf, een rapport over etnische selectiviteit – heeft bij strafrechtelijke uitkomsten minder invloed dan sociaaleconomische kenmerken.
Verzachtende omstandigheden
Het tweede WODC-rapport dat op 16 juni verscheen, Scherp op selectiviteit, laat zien dat professionals uit het werkveld verschillende afwegingen maken bij de straftoemeting. Zij houden onder meer rekening met vooruitzichten van de verdachte en mogelijkheden tot resocialisatie. Alternatieve of lagere straffen komen eerder in beeld als er verzachtende omstandigheden zijn, bijvoorbeeld als iemand een baan heeft. De kans op resocialisatie lijkt dan groter. Ook proceshouding speelt een rol: wie communicatief sterker is en de systemen beter kent, komt beter over. “Maar als deze zaken structureel meespelen, leidt dat toch tot minder gunstige uitkomsten voor mensen met een zwakkere sociaaleconomische positie.”
Maatwerk
Ongelijke uitkomsten in het strafrecht zijn niet per definitie onwettig, zeggen de onderzoekers. Het strafrecht biedt immers ruimte voor maatwerk, waarbij het OM en strafrechters de persoonlijke situatie van de verdachte mogen meewegen. Maar door een optelsom van factoren, is er volgens WODC-onderzoekers sprake van een structureel ongunstigere positie voor mensen met minder vinkjes.
Reflecteren
Volgens de onderzoekers zouden de onderzoeksresultaten aanleiding moeten zijn om over de inrichting van het strafrecht te reflecteren, zeker nu de samenleving diverser en sociaaleconomisch gezien ongelijker wordt. Zij formuleren tien concrete handelingsperspectieven om ongewenste vormen van selectiviteit in het strafrecht tegen te gaan. Een deel daarvan richt zich op individuele gedragsverandering, zoals trainingen voor professionals die empathie, reflectie en communicatieve vaardigheden versterken. Daarnaast vragen zij aandacht voor meer systeemgerichte maatregelen, zoals een herijking van modellen die worden gebruikt om toekomstig crimineel gedrag te voorspellen, blinde(re) zaakverwerking, een strengere motiveringsplicht en structurele monitoring van strafrechtelijke uitkomsten in relatie tot sociaaleconomische positie en etniciteit.
