Onlangs las ik het artikel Uitgevers niet bang voor nieuwe AI-spelers: ‘Verrijking van de sector. Ik heb zelf bij een juridische uitgever gewerkt en weet hoeveel kennis, vakmanschap en redactionele kwaliteit daar aanwezig zijn. Tegelijkertijd heb ik ook ervaren hoe ingewikkeld het is om binnen een gevestigde organisatie echt te vernieuwen en juist daarom denk ik dat juridische uitgevers zich wél zorgen zouden moeten maken. Het werkproces van juristen is al deels veranderd door generatieve AI en juridische uitgevers zijn niet langer het automatische antwoord op de vraag waar juridisch onderzoek begint.
Waar begint juridisch onderzoek dan?
Jarenlang was het antwoord op die vraag dus vanzelfsprekend: een jurist begon zijn onderzoek in een juridische databank. Daar stonden wetgeving, jurisprudentie, commentaren en annotaties overzichtelijk bij elkaar. De uitgever was niet alleen leverancier van juridische kennis, maar ook een logisch startpunt van een juridisch vraagstuk. Ik vraag mij steeds vaker af of dat over twee jaar nog steeds zo is. Ook in mijn eigen werk merk ik dat de werkprocessen veranderen. We gebruiken nog steeds specialistische juridische systemen, maar tegelijkertijd voeren we steeds vaker gesprekken over hoe juridische taken anders kunnen worden ingericht. AI verandert de volgorde van het werk: waar een jurist vroeger eerst zocht, las, selecteerde en uiteindelijk zelf de informatie samenbracht, verschuift een deel van dat proces naar een interactie met een systeem dat helpt ordenen, samenvatten, vergelijken en schrijven.
De verkeerde concurrent
Daarom denk ik dat juridische uitgevers mogelijk naar de verkeerde concurrent kijken. De concurrentie gaat steeds minder over wie de beste juridische kennis ontsluit en steeds meer over waar een jurist zijn onderzoek begint. En dat lijkt misschien een klein verschil, maar het is een grote verandering. Want waar het juridisch onderzoek begint, is ook bepalend voor de bronnen waarnaar wordt verwezen en welke informatie zichtbaar wordt.
Het innovatiedilemma
Juist daar ligt volgens mij de grootste uitdaging voor gevestigde juridische uitgevers. Zij investeren al jaren in legal tech en generatieve AI en beschikken over een enorme hoeveelheid hoogwaardige juridische kennis. Maar succesvolle organisaties hebben ook bestaande producten, bestaande klanten, bestaande processen en bestaande verdienmodellen. Dat maakt fundamentele verandering ingewikkeld, omdat innovatie binnen een bestaande organisatie altijd een andere dynamiek kent dan bij een nieuwe speler die niets te verliezen heeft. Daar komt nog iets bij: de context waarin juridische informatie wordt ontsloten verandert. Nederlandse universiteiten zetten steeds nadrukkelijker in op open access en inmiddels is het overgrote deel van de wetenschappelijke publicaties vrij toegankelijk. Ook worden steeds meer rechterlijke uitspraken als open data beschikbaar gesteld. De toegevoegde waarde van juridische uitgevers blijft: hun redactionele kwaliteit, annotaties en duiding zijn nog steeds belangrijk. Hun positie als toegangspoort tot juridische kennis wordt daarentegen steeds minder exclusief.
Het vertrekpunt van juridisch onderzoek verschuift
De grootste verandering zit volgens mij in de plek waar juridisch onderzoek begint. Generatieve AI verandert niet alleen de manier waarop juristen informatie zoeken, maar ook de volgorde waarin zij werken. ChatGPT, Claude en Gemini zijn steeds vaker de plek waar de eerste vragen worden gesteld, bronnen worden geselecteerd, samenvattingen worden gemaakt en concepten worden opgesteld. De juridische kennis blijft even belangrijk, maar de route naar die kennis verandert. Daarmee verandert uiteindelijk ook het gedrag van juristen, omdat de eerste stap in het werkproces anders wordt gezet. Gedragsverandering is vaak een krachtige vorm van innovatie. Precies daarom vond ik de beursreactie na de introductie van de legal assistant van Anthropic zo interessant. Ik ben geen beursanalist en een koersreactie kent altijd meerdere oorzaken. Toch maakte die reactie zichtbaar dat beleggers zich kennelijk afvroegen waar de toekomstige waarde in de juridische informatiemarkt ontstaat. Ik verwacht dat de partijen waar juristen straks hun onderzoek starten uiteindelijk de meeste invloed krijgen op de manier waarop juridische kennis wordt gevonden en gebruikt. Juridische uitgevers zouden zich daarom vaker moeten afvragen hoe juristen in de toekomst gaan werken. Want uiteindelijk is niet alleen de kwaliteit van juridische kennis bepalend voor het werkproces, maar ook de plek waar juristen hun eerste vragen stellen en de route die zij vervolgens afleggen.
Wat is een juridische uitgever nog?
De vraag is daarom niet alleen hoe juridische uitgevers AI inzetten, maar ook hoe zij zichzelf opnieuw definiëren. De juridische uitgever gaf namelijk van oudsher juridische teksten uit. De toekomst ligt minder in het ‘uitgeven’ en meer in het begeleiden van de manier waarop juristen die kennis vinden, gebruiken en toepassen. Dat vraagt om meer dan alleen investeren in AI. Het vraagt om organisaties die zichzelf opnieuw durven uit te vinden, die ruimte maken om te experimenteren en die talent aantrekken dat niet alleen juridische kennis begrijpt, maar ook nieuwe manieren van werken durft te ontwikkelen. Juridische uitgevers bestaan al generaties lang omdat zij zich steeds opnieuw hebben aangepast aan veranderingen in het recht, de samenleving en de manier waarop kennis wordt gedeeld. De vraag is of generatieve AI om weer een aanpassing vraagt, of juist om een fundamenteel andere definitie van wat een juridische uitgever eigenlijk is. Ik denk het laatste. Juist daarom denk ik dat juridische uitgevers zich wel zorgen zouden moeten maken, omdat zij niet georganiseerd zijn om zichzelf opnieuw uit te vinden.
Bron van de illustratie: Wolters Kluwer Investors – Interactive Share Price Chart | Wolters Kluwer (1 jaar geselecteerd) ter illustratie van de marktreactie
