Topjurist in opspraak vanwege seksschandaal

Delen:

De thesaurier-generaal van het Ministerie van Financiën, de jurist L.R., is in opspraak. In Den Haag is er aangifte tegen hem gedaan. R. zou ontucht met minderjarige jongens hebben gepleegd. De politie pakt hem op en de officier van justitie stelt hem in verzekering. In zijn verhoor geeft R. aan homoseksueel te zijn, maar ontkent de beschuldiging. Er is verder geen bewijs. De raadkamer zendt R. al na 8 dagen naar huis. Na het gerechtelijk onderzoek stelt het OM Ries buiten vervolging. R. wil weer aan het werk, maar de Minister van Financiën zit met de zaak in zijn maag. Hij schorst zijn topambtenaar. Bij de begrotingsbehandeling Financiën wordt de zaak R. in het openbaar bediscussieerd. De meerderheid van de Kamer steunt de minister. R., jarenlang een onberispelijke staat van dienst als ambtenaar, wordt vervolgens ontslagen ‘wegens gebleken ongeschiktheid van het ambt’. Hij staat op straat, zonder enige voorziening. Dit zijn de feiten die een ommekeer bezorgen in het leven van mr. Leopold Ries.

Voor me heb ik liggen het boek “Wij van het verloren ras”, de briefwisseling tussen mr. L.A. Ries en mr. H.J. Bouman, advocaat in Zwolle. Hun correspondentie beslaat de jaren 1923 tot in 1962. Het boek is om veel redenen interessant.

Allereerst natuurlijk de aantijging. R. werd niet veroordeeld en toch door minister Oud (VVD) als ongeschikt geschorst. In het Kamerdebat dat volgde werd deze individuele zaak bediscussieerd. De reputatie van mr. R. werd te grabbel gegooid, toen de Kamer de minister in zijn laffe houding steunde. ‘Waar rook is, zal vuur wezen’, was de achterliggende gedachte. Na het Kamerdebat wordt Ries ontslagen.

De opwinding uit 1936 roept herinneringen op aan de kwestie van de huidige secretaris-generaal op Justitie die eveneens wordt geconfronteerd met een aangifte wegens seksueel misbruik van minderjarige jongens. Ook deze topambtenaar ontkent de beschuldiging. De zaak wordt grondig onderzocht, maar er wordt niets gevonden. De getuige die aangifte had gedaan, wordt ongeloofwaardig geacht. Desalniettemin zijn er journalisten die met verbetenheid het hoofd van de secretaris-generaal eisen. Maar in deze zaak heeft de minister van justitie (eerst Donner, later Hirsch Ballin) ruggengraat getoond en zich vierkant achter zijn ambtenaar opgesteld. En zo hoort het ook. Wat dat betreft steekt de handelwijze van minister Oud in 1936 hier wel heel schril bij af.

De ander in deze briefwisseling, mr. Harro Bouman, is een intrigerende persoon. Bouman en Ries zijn bevriend geraakt tijdens hun Groninger studententijd. Bouman trouwt en krijgt een aantal kinderen. Hij wordt advocaat in Zwolle. Als zijn vriend in de problemen komt, aarzelt hij geen moment en neemt de verdediging op zich. De vriendschap staat de behandeling van de zaak niet in de weg.

“Mijn honorarium zal aan U geen nachtmerries geven, eerder het gebrek daaraan aan mij.”

In de brieven die een periode van 40 jaar beslaan, wordt de persoon achter de advocaat steeds zichtbaarder. Bouman raakt af en toe gedeprimeerd. Hij ervaart Zwolle als een saaie provinciestad, waar hij kantoor houdt aan de Koestraat. Ries spoort Bouman aan te vertrekken. Bouman wil dat wel, maar het komt er niet van, hij laat zijn verplichtingen zwaarder wegen. Ooit zou hij zijn huwelijk als een corvee hebben beschreven. Als lezer vermoed ik dat ik wel weet wat zijn zwaarmoedigheid veroorzaakt. In de brieven aan en van Ries doemt Bouman’s homoseksualiteit en het verlangen naar intimiteit met mannen aan de horizon op, al wordt het nergens met zoveel woorden door Bouman uitgedrukt. Bouman’s vrouw Carina heeft een hekel aan de vriend van haar man en steekt die mening niet onder stoelen of banken. Ries beklaagt zich hierover bij Bouman. Deze neemt het in de correspondentie niet voor Carina op, maar hij verandert de situatie ook niet.

Ries is joods en beschrijft hoe hij na zijn ontslag in 1936 Nederland verbitterd de rug toekeert.

“Ik geloof tegenwoordig alleen nog maar de doodsberichten, van trouwadvertenties slechts de komende ontrouw.”

Hij verhuist met zijn moeder naar Portugal. Facinerend is de beschrijving van het Duitse gevaar eind jaren dertig en de correspondentie tijdens de oorlogsjaren. Ries en zijn moeder zijn veilig. Zijn vernederende ontslag is zijn redding geweest. Was hij niet ontslagen dan zou hij in Nederland gebleven zijn en door de Duitsers naar Westerbork zijn afgevoerd. Bouman schrijft omfloerst over hoe hij de bezetting ervaart. Duidelijk is zijn afkeer van de NSB en de bezetter. Hij blijft zijn beroep als advocaat uitoefenen, maar het is zwaar om zijn gezin te kunnen onderhouden. Door de terugloop van zaken verarmt het gezin dat kou en honger moet trotseren. Aandoenlijk vind ik Bouman’s smeekbeden om koffie en sigaretten toegestuurd te krijgen.

Al tijdens de oorlogsjaren emigreert Ries met zijn moeder naar New York. Voor mij herkenbaar is de beschrijving van de hete zomers (terwijl ik dit schrijf, loeit mijn airco en is het buiten 35 graden Celsius). Ries houdt kantoor aan het Rockefeller Plaza (waar nu nog het Nederlands Consulaat is gevestigd) en bekritiseert in veel brieven de Amerikanen. Toch zie je dat hij met de jaren wat milder wordt, hij neemt het Amerikaans staatsburgerschap aan. In de periode tot zijn dood vliegt hij enkele malen naar Nederland, waar hij Bouman ontmoet. Helaas blijkt niet uit de brieven hoe deze ontmoetingen zijn verlopen. Wel wordt Ries steeds openhartiger en beschrijft hij Bouman zijn seksuele avonturen in het New York van de jaren 50 en begin 60. De politie doet invallen in homo etablissementen. Het is aan de vooravond (1969) dat de homo’s zich daartegen gaan verzetten tijdens de beroemde Stonewall Inn rellen.

De brieven tussen 1923 en 1962 geven een fraai beeld van de tijd. Nauwelijks telefonisch verkeer, geen computers. Brieven met doorslagen op carbonpapier. Tot in de jaren vijftig radio, maar geen televisie. Beide mannen houden van lezen; kranten en literatuur komen veelvuldig ter sprake. Over en weer raden zij elkaar boeken aan, vaak met een homoseksueel thema. In hun vriendenkring figureren Hans Lodeizen die op jonge leeftijd zelfmoord pleegt, Adriaan van der Veen, Marnix Gijzen en Greshoff.

Beide mannen beklagen zich over hun gezondheid die met de jaren achteruit gaat. Ries beschrijft in detail welke medicijnen hij neemt om zijn pijn te bestrijden en geeft daarbij Bouman allerlei adviezen hoe hij zijn somberheid kan tegengaan.

In 1962 overlijdt Ries in een New Yorks ziekenhuis aan de complicaties van een galblaasoperatie. Ontroerend vind ik dat de grafrede voor deze veelzijdige en getalenteerde man wordt uitgesproken door iemand die hem niet goed kende. De grafrede gaat in op aspecten die de lezer van de correspondentie niet als hoofdzaak beschouwt. Helaas weten we niet hoe Bouman op de dood van zijn vriend voor het leven heeft gereageerd. De uitgave van het boek ‘Wij van het verloren ras’ (ISBN 978-90-9024303-0)is mogelijk gemaakt door de zoon Hessel Bouman. Zijn vader heeft Ries met 22 jaar overleefd. Het is jammer dat er geen naschrift is opgenomen. Ik had graag gezien dat Bouman zich over zijn vriendschap met Ries uitspreekt. Zou hij zijn zoon nooit verteld hebben over zijn gevoelens? Waarom had zijn vrouw zo’n hekel aan Ries? Door lezing van de briefwisseling raak je in beide mannen geinteresseerd. Door het overlijden van Ries stopt het verhaal abrupt, maar dat is de dood eigen.

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven