Het komt maar zeer zelden voor dat de rechter een uitspraak doet over beleid binnen de Rechtspraak zelf. Maar de bodemprocedure die de Vereniging van Vrije Journalisten (VVJ) en twee onafhankelijke verslaggevers aanspanden tegen de Staat, heeft voor exact die situatie gezorgd.
De journalisten en de vereniging spanden de bodemprocedure in 2025 aan, toen de nieuwe Persrichtlijn van de Rechtspraak in gebruik werd genomen. Directe aanleiding was dat de twee verslaggevers daardoor hun toegang tot de persfaciliteiten in gerechtsgebouwen verloren. Om die terug te krijgen, zouden ze verplicht een perskaart van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) moeten aanvragen. Maar volgens de twee journalisten en de VVJ druist dat in tegen EVRM-bepalingen waarin de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van nieuwsgaring zijn geregeld.
Vrijheidsbeperkend
De rechtbank constateert dat de Persrichtlijn zoals die in 2025 is geïntroduceerd de vrijheid van nieuwsgaring inderdaad beperkt. Dat mag volgens de rechter alleen als zo’n vrijheidsbeperking gerechtvaardigd en voldoende onderbouwd is. In het geval van de Persrichtlijn is dat echter niet het geval, zo blijkt uit de uitspraak. Vooral het feit dat uit de richtlijn volgt dat de NVJ feitelijk bepaalt wie er in aanmerking komt voor accreditatie en wie niet, is volgens de rechtbank problematisch: “Daardoor wordt eenieder die toegang wil hebben tot de persfaciliteiten van de gerechten in feite gedwongen lid te worden van deze beroepsorganisatie die onder meer voorwaarden stelt inzake inkomen en/of tijdsbesteding.”
“Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat door het op deze manier aan de NVJ uitbesteden van de keuze wie gebruik kan maken van de persfaciliteiten onder de Persrichtlijn 2025, de traditionele groep van journalisten voor accreditatie in aanmerking komt, maar de groep van personen die bijvoorbeeld als actieve burger, blogger of vlogger bijdragen aan het publieke debat hiervoor niet in aanmerking lijkt te komen.”
‘Discriminerend’
Direct na de uitspraak traden diverse traditionele en minder traditionele media naar buiten over de impact ervan op hun journalistieke werk. In enkele gevallen werd de uitspraak van de rechtbank daarbij uit zijn verband getrokken of verkeerd geïnterpreteerd, waaronder door de VVJ zelf, die deed voorkomen alsof de Persrichtlijn ‘discriminerend’ zou zijn. Het alternatieve medium De Andere Krant beweerde bovendien dat de gehele Persrichtlijn door Haagse rechters ‘van tafel geveegd’ zou zijn.
Rechter Koen de Meulder – niet bij deze zaak betrokken, maar zich wel vaak mengende in het publieke debat – voelde zich in reactie daarop geroepen om op LinkedIn één en ander recht te zetten. “Het klopt niet dat de hele Persrichtlijn onrechtmatig is en van tafel gaat”, schrijft De Meulder. “Het vonnis gaat alleen over het onderdeel dat het accreditatiesysteem voor journalisten regelt.”
“Er is ook geen sprake van discriminatie, want er wordt géén onderscheid gemaakt op basis van persoonskenmerken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het accreditatiesysteem in strijd is met de vrijheid van meningsuiting en vrije nieuwsgaring door de pers. De rest van de Persrichtlijn blijft gelden.”
De VVJ en de twee journalisten hadden overigens wel geëist om de gehele Persrichtlijn buiten werking te stellen. Op dat punt zijn zij door de rechtbank echter juist in het ongelijk gesteld.
