De onderzoekers komen tot die conclusies in een overkoepelend onderzoek naar de eenduidige definitie en aanpak van femicide. Onderdeel daarvan was de vraag in hoeverre femicide-gerelateerde kenmerken een rol spelen in de rechtszaal als het gaat om strafopleggingen. De onderzoekers analyseerden daarvoor gerechtelijke uitspraken in zaken waarin het ging om (pogingen tot) femicide en gingen in gesprek met rechters. De resultaten laten een trend zien: de maatschappelijke aandacht voor het thema vertaalt zich steeds vaker in expliciete benoemingen en strafverzwaringen door rechters.
Strafmaxima
In de meeste uitspraken in zaken waarin sprake is van femicide, benoemen rechters dit tegenwoordig expliciet in hun strafmotivering. In veel gevallen verbinden zij ook consequenties aan die constatering en volgt er op basis van het feit dat er sprake is van (poging tot) femicide een strafverzwaring.
Voor de studie geïnterviewde rechters en officieren geven evenwel aan dat ruimere strafmaxima in de wet wat hen betreft niet nodig zijn. De huidige maximumstraffen voor doodslag en moord worden door de meeste respondenten als “toereikend” genoemd. Wel zijn veel rechters en officieren er voorstander van om kenmerken van femicide als wettelijke strafverzwaringsgrond in te voeren, zodat strafeisen en -opleggingen eenduidiger worden.
