Belediging religieuze figuren; nog altijd strafbaar?

De moord op de Franse maatschappijleraar Samuel Paty heeft ook in Nederland een uitgebreid publiek debat tot gevolg gehad. Hoewel deze door de huidige coronacrisis enigszins wordt overschaduwd, is er nog altijd een discussie gaande over de balans tussen vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst. Is het beledigen van religieuze figuren in Nederland nog altijd indirect strafbaar?

Delen:

De vrijheid van godsdienst wordt in de artikelen 6 Grondwet (GW) en 9 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermd. Om als een godsdienst te worden aangemerkt moet er sprake zijn van een verzameling aan opvattingen die voldoen aan de voorwaarde ‘to attain a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance’. Door toenemend religieus extremisme en religieuze pluriformiteit, als gevolg van grootschalige migratie, is er echter ook een noodzaak om te bepalen of art. 6 GW en 9 EVRM tevens de positie van religieuze figuren beschermen. In principe omvat het recht, het recht om wel, of juist geen, godsdienst of levensovertuiging te hebben, van godsdienst te veranderen, deze te belijden en zich naar de voorschriften van diens godsdienst te gedragen. Op het eerste gezicht vallen religieuze figuren hier niet onder, hoewel de term ‘belijden’ enige ruimte biedt. Het EHRM stelt dat om te spreken van ‘belijden’, er sprake moet zijn van ‘a sufficiently close and direct nexus’ tussen de gedraging en de godsdienst. Ook binnen deze parameter lijken religieuze figuren niet te vallen.

Vrijheid van meningsuiting wordt tevens op nationaal, art. 7 GW, en Europees vlak, art. 10 EVRM, beschermd. Art. 7 GW strekt, volgens het Van Dijke arrest, tevens tot ideeën die door de meerderheid van de bevolking niet als wenselijk worden beschouwd. Het artikel is tevens nauwer geformuleerd dan het EVRM in die zin dat de Nederlandse wetgeving een onderbreking van radio en/of televisie slechts achteraf of tijdens de uitzending mogelijk maakt. In Nederland gaan we dus uit van een strikt verbod op voorafgaande censuur. Bovendien bestaat er tevens een beginsel van parlementaire immuniteit voor uitspraken gedaan binnen de Tweede Kamer. Op Europees niveau is art. 17 EVRM van belang met betrekking tot art. 10. Dit artikel stelt dat geen enkel recht in het verdrag een recht inhoudt om daden te verrichten met als doel de rechten of vrijheden van anderen teniet te doen. Dit artikel is echter slechts in extreme omstandigheden van toepassing, zoals in een zaak waarin een persoon opriep tot de gewapende jihadstrijd in Syrië, waarin werd opgeroepen tot terroristische misdrijven.

Rechters springen in de bres

Hoewel de belediging van religieuze figuren in principe niet door deze artikelen wordt beschermd, blijkt uit de EHRM-jurisprudentie dat rechters hier toch vaak in de bres springen. Allereerst is in zaken zoals Kokkinakis en Handyside bepaald dat beide rechten dienen te worden beschouwd als fundamenten van een democratische samenleving. Twee factoren die in de jurisprudentie belangrijk blijken zijn de rol van de spreker en de nationale context. Met betrekking tot de spreker, wordt een speciale rol toegekend aan politici, journalisten of de media en leraren. In Féret/België werd gesteld dat er op een politicus een verzwaarde verantwoordelijkheid rust. Féret pleitte voor rassendiscriminatie, hetgeen niet door zijn verzwaarde politieke immuniteit werd gedekt. Aangaande journalisten en de media, werden in de jaren negentig in de zaken Otto-Preminger-Institut/Oostenrijk en Wingrove/Verenigd Koninkrijk argumenten van de overheid om godslastering tegen te gaan steevast aanvaard. In Jersild/Denemarken week het Hof echter van deze aanpak af en stelde dat de verspreiding van informatie diende te worden beschermd. Tot slot werd leraren, zoals Seurot/Frankrijk, een verzwaarde plicht opgelegd om de autoriteit die zij symboliseerden tevens uit te dragen in persoonlijke uitlatingen. Daarnaast bleek de nationale context van belang voor de invulling van de zogenaamde ‘margin of appreciation’. Dientengevolge bestaat er een drieledige aanpak in Europa betreffende haatzaaiende uitlatingen. Allereerst werd er in Lehideux en Isorni/Frankrijk en Garaudy/Frankrijk bepaald dat artikel 17 EVRM een afweging tussen rechten betreft ontkenning van de holocaust per definitie uitsluit. Daarnaast wordt racistisch taalgebruik in principe door vrijheid van meningsuiting beschermd, hoewel deze zaken vaak niet-ontvankelijk zijn o.g.v. art. 17 EVRM. Tot slot blijkt dat religieuze intolerantie zoals in Jyllands-Posten en Charlie Hebdo, slechts binnen de reikwijdte van vrijheid van meningsuiting valt indien de uitlatingen iets toevoegen aan het publieke debat, zie hier I.A./Turkije. Hoewel religieuze figuren dus niet direct door de artikelen worden beschermd, blijkt uit de jurisprudentie een significant andere aanpak.

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Ook interessant:

Scroll naar boven