De gevreesde BKO-cursus I – doceren in Leiden II

Delen:

Om een volwaardig docent bij de universiteit Leiden te worden, dient een onderwijscursus te worden gevolgd. Deze wordt BKO genoemd. Ik wist tot net niet waar deze afkorting voor zou staan: de eerste Google-hit leidde naar ‘Buitengewoon Kleuteronderwijs’, wat hoogstwaarschijnlijk niet op de titel van de zojuist genoemde cursus zou slaan. Mijn hoogleraar – toevallig van zijn bureau verdreven door een andere hoogleraar in een scriptiegesprek en daardoor plaatsgenomen aan het bureau naast me – kwam met het verlossende antwoord. ‘BasisKwalificatie Onderwijs’. Makes sense.

De cursus is ooit in het leven geroepen omdat de didactische vaardigheden op universiteiten te wensen overlieten en in tegenstelling tot alle andere onderwijsinstellingen, onderwijs niet werd gezien als een vak waarvoor enige vaardigheid nodig was. De BKO-cursus zou daar verandering in brengen. Een professionaliseringsslag voor het doceren op de universiteit.

Ik kreeg die cursus ook, overigens nadat ik een vak had gegeven en nadat ik al mijn eerste evaluatie van mijn onderwijs terugkreeg. Ik had een hoog gemiddelde. Dit bracht de wat trotse en ijdele  docent in mij ertoe om vrijstelling te vragen van de BKO-cursus, omdat dit nogal wat tijd zou kosten en mijn studenten mij kennelijk al goed genoeg vonden. Ik kreeg een beleefd e-mailtje terug waaruit bleek dat ze het heel goed vonden dat ik zo’n hoog evaluatiecijfer had gehaald, maar dat ik nog steeds genoeg te leren had. IJdele hoop dus.

Overigens heb ik dit hoge cijfer nooit meer weten te behalen nadat ik de cursus heb gevolgd, maar ik zou niet durven te beweren dat het één iets met het ander te maken heeft.

De cursus stond niet echt goed bekend, docenten ervoeren het als een grote verplichting (vier uur per week) en met weinig nieuwe informatie. De cursusleider werd aan mij getypeerd als ‘iemand die met zijn armen over elkaar vertelt dat je niet met je armen over elkaar moet staan tijdens de les’.

In volle overtuiging dat het zo erg toch niet zou kunnen zijn, ging ik de cursus in. Ik moet de waarschuwingen van collega’s vooraf toch onderschrijven. Dat je als docent rustig moet spreken en het handig is om stevig te staan, was mij al wel bekend. Toegegeven: ik leerde ook interessante dingen over onderwijsvormen. Hoe meer gebruik van actieve werkvormen, hoe beter de stof bij de studenten blijft hangen. Dus ik gebruik nu nog meer Kahoot-quizzen en beloningen in de vorm van chocola bij goede antwoorden (dit zou als omkoping kunnen worden getypeerd en dat realiseer ik me ook, maar het werkt). Een van de bijeenkomsten ging over toetsing. Zonder verdere uitleg kregen wij – de cursisten – een grote kaart van Nederland te zien. Na drie luttele seconden flitste het beeld weer op zwart. We kregen allemaal pen en papier. “Teken de kaart van Nederland”, beval de docent.

Ik keek verdwaasd om mij heen. Alhoewel mijn moeder mij heeft opgevoed dat je nooit mag opscheppen over iets dat je niet kan, moet ik toegeven dat ik Niet Kan Tekenen. Maar dan ook echt niet. Het was hopeloos. Als ik terugkijk naar mijn tekeningen uit de tweede klas zou dat een basisschoolleerling uit de onderbouw niet misstaan. Gelukkig was het geen samenwerkopdracht en probeerde ik zo goed en kwaad als het ging een tekening te maken van Nederland. Het vervelende was dat ik niet meer wist of Gelderland boven of onder Overijssel lag. Ook sommige hoofdsteden waren mij ontschoten. Wel wist ik tot mijn genoegen alle Waddeneilanden van de juiste plaats te voorzien (het bekende trucje TV-tas).

Na tien minuten riep de docent dat wij onze pennen moesten neerleggen. Om mij heen zag ik prachtige kunstwerken. Het was duidelijk dat niemand zo beroerd kon tekenen als ik. Ik probeerde met mijn ellenbogen mijn kaart zorgvuldig te verbergen. “Wij gaan elkaar cijfers geven!” riep de docent. Alle ‘kaarten’ werden opgehangen. De cursisten liepen er langs in groepjes van twee en bespraken de kaarten kritisch. Ik hoorde zevens, achten en negens voorbij komen. Dit was tot mijn opluchting: wellicht zou er over mijn kaart ook positief geoordeeld worden en viel het allemaal wel mee.

Na vijf minuten had zich een groep gevormd om mijn kaart heen. “Dit is wel heel duidelijk een drie”, zei iemand. “Én deze een negen!” riep ik hard door het klaslokaal terwijl ik naar een heel andere kaart staarde. Niemand hoorde me want de groep was inmiddels in discussie met elkaar of mijn kaart een drie, een vijf of een genadezesje mocht ontvangen. In de trant van ‘if you can’t beat them, join them‘ ging ik bij de groep staan. “Ik vind het wel een voldoende, alle Waddeneilanden staan er op volgorde op!” zei ik zo overtuigend mogelijk – mijn gezicht inmiddels rood aangelopen. Dit had helaas niet het gewenste effect: de cursisten begonnen te vermoeden dat de kaart van mij was. Dat maakte overigens niet uit voor de discussie, inmiddels was het cijfer twee genoemd. De docent kwam erbij staan. “Ja, dit is een hele slechte kaart”, zei hij rustig. “Maar jullie cijfers lopen uiteen van een twee tot een zes min. Het is duidelijk dat jullie geen goede toetsmatrijs hebben.”

Het bleek dat mijn kaart diende als levensles. Een goede docent is niets zonder een toetsmatrijs.

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven