De Groninger uitzondering

'Er gaat niets boven Groningen'. De leus werd gelanceerd in 1989 om de provincie en stad te promoten. En blijkbaar geldt dit ook voor het normale Nederlandse zakenrecht, van boerderijen in Stad en Ommelanden die soms al eeuwenlang door dezelfde families worden bewoond en bewerkt, en dat zonder dat families ooit de grond onder hun voeten hebben bezeten. Hoe komt dat? In het antwoord ligt een uniek zakelijk recht dat vrijwel nergens anders in Nederland voorkomt: het beklemrecht, ook wel recht van beklemming genoemd.

Delen:

beeld: Depositphotos

Het beklemrecht is een eeuwigdurend en ondeelbaar zakelijk recht op andermans onroerende zaak. De beklemde meier, (zo heet de rechthebbende) krijgt het volledige genot van de grond en wordt bovendien eigenaar van de gebouwen en beplantingen die zich daarop bevinden. De grond zelf blijft echter eigendom van een ander, doorgaans een instelling zoals een kerkvoogdij, een klooster-opvolger of een landgoed.

Daarmee zit het beklemrecht qua constructie tussen twee bekendere rechten in: het recht van opstal, waarbij men eigenaar wordt van opstallen op grond van een ander, en de erfpacht, waarbij men langdurig het genot van andermans grond heeft. Het beklemrecht combineert beide elementen, maar dan zonder einddatum, waar erfpacht meestal wel een looptijd kent.

Waarom Groningen (en niet ergens anders)?

Het antwoord ligt in de agrarische geschiedenis van de provincie. Vanaf de zestiende eeuw gaven grote grondeigenaren, kerkelijke instellingen en de adel landerijen in beklemming uit aan boeren. De boer investeerde in de opstallen en het onderhoud, terwijl de eigenaar een vaste jaarlijkse vergoeding ontving, de zogeheten beklemsom of vaste rente. Dit systeem paste bij de grootschalige akkerbouw op de Groningse klei en zorgde voor een stabiele, doorgaande bewerking van het land.

In andere provincies kwam dit niet tot stand, In grote delen van het rivierengebied en Zuid-Nederland overheerste al vroeg een sterk verbrokkeld particulier grondbezit, verspreid over veel kleine eigenaren, waar een grootschalige uitgifteconstructie als beklemming weinig meerwaarde had. In gebieden met veel kerkelijk of adellijk grootgrondbezit elders in het land, zoals delen van Overijssel en Gelderland, koos men doorgaans voor erfpacht, vormen die de eigenaar meer greep op de grond lieten behouden. 

Een uitstervend recht

Sinds de invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek is het niet meer mogelijk om nieuwe beklemrechten te vestigen. De wetgever koos ervoor het recht niet actief af te schaffen, maar simpelweg te bevriezen: bestaande beklemrechten blijven onverkort gelden totdat zij worden afgekocht of anderszins beëindigd. Afkoop gebeurt doorgaans doordat de beklemde meier de grond alsnog in volle eigendom verwerft van de eigenaar, waarmee het beklemrecht teniet gaat en de twee rechten samensmelten tot gewoon eigendom.

Het gevolg is een geleidelijk uitdovend rechtsfiguur: elk jaar verdwijnen er beklemrechten door afkoop, zonder dat er nieuwe bijkomen. Toch duiken ze nog altijd op in Groningse notarisaktes en kadastrale registers, als een juridisch fossiel uit een tijd waarin grondbezit en grondgebruik heel anders werden georganiseerd dan nu, een stille getuige van hoe het Nederlandse zakenrecht ooit veel diverser was en hoe Groningen zich boven zet op de andere provincies.

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven