Hoe één vonnis uit 2011 het strafrecht veranderde

Sinds 1 juli 2026 mag de rechter bij verdachten die voor meerdere strafbare feiten tegelijk terechtstaan een hogere straf opleggen dan voorheen, en dit hebben we 'te danken' aan een vonnis uit 2011.

Delen:

Bajes zonder Bayes: de prosecutor’s fallacy - Mr. Online
beeld: Depositphotos

De hogere straf die de rechter nu mag opleggen bij een zogenaamde meerdaadse samenloop houdt in dat de opslag boven het hoogste strafmaximum van een derde naar de helft gaat. Bij een enkelvoudige diefstal, maximaal vier jaar, kwam het totaal bij meerdere diefstallen voorheen uit op vijf jaar en vier maanden; nu op zes jaar. Ook bij ongelijktijdige berechting (artikel 63 Sr) iemand wordt berecht voor een oud feit, gepleegd vóórdat hij al voor iets anders onherroepelijk was veroordeeld — hoeft de rechter voortaan alleen nog rekening te houden met de straf uit de eerste veroordeling, niet met elke tussenliggende. Bij feiten met een strafmaximum van twaalf jaar of meer is die extra ruimte het grootst, met het oog op cold cases.

Neem een fictieve verdachte, laten we hem Jonas noemen. Jonas staat terecht voor drie feiten die hij in 2027, allemaal tegelijk bij dezelfde rechtbank: twee woninginbraken (artikel 311 lid 3 Sr, maximaal zes jaar per feit) en één zware mishandeling (artikel 302 Sr, maximaal acht jaar). Omdat alle feiten gelijktijdig worden berecht, is artikel 57 Sr van toepassing: het zwaarste feit, de zware mishandeling, acht jaar vormt het uitgangspunt.

Onder de oude regeling, kon de rechter maximaal acht jaar plus een derde daarvan opleggen: acht jaar plus tweeëneenhalf jaar en acht maanden, ofwel afgerond tien jaar en acht maanden. Onder de nieuwe regeling kan dat oplopen tot acht jaar plus vier jaar, ofwel twaalf jaar. Dat is de extra ruimte waarover dit artikel gaat: geen verplichting om die twaalf jaar ook daadwerkelijk op te leggen, maar wel een hoger wettelijk plafond waarbinnen de rechter een passende straf kan kiezen.

Nu een variant met artikel 63 Sr. Stel dat Jonas in 2021 al onherroepelijk is veroordeeld tot drie jaar cel voor een andere zaak, en dat pas in 2027, dankzij nieuw DNA-onderzoek aan het licht komt dat hij in 2015 ook een overval pleegde (artikel 312 Sr, maximaal negen jaar). Onder de oude regeling moest de rechter bij het bepalen van de strafruimte voor die overval rekening houden met álle veroordelingen die tussen 2015 en 2027 onherroepelijk waren geworden, ook als dat er meerdere waren. Onder de nieuwe regeling telt alleen nog de éérste onherroepelijke veroordeling na het plegen van het feit mee, in dit voorbeeld dus alleen de veroordeling uit 2021, niet eventuele latere veroordelingen die daarna nog zouden zijn gevolgd. Dat is precies de situatie die in 2011 in Amsterdam tot problemen leidde: hoe langer de lijst tussenliggende veroordelingen, hoe kleiner de overgebleven strafruimte voor het oude, soms zeer ernstige feit.

Waarom deze wijziging?

Het waarom zit in een zaak uit 2011. (ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7651) De rechtbank Amsterdam veroordeelde toen een man tot tien jaar cel voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven uit 1996. Strikte toepassing van de samenloopregeling zou de straf hebben beperkt tot vier jaar en drie maanden, omdat de man tussen 1996 en 2011 al meermaals onherroepelijk was veroordeeld voor andere feiten. De rechtbank vond dat onverteerbaar en paste artikel 63 Sr simpelweg niet toe.

Dat mag een rechter niet, oordeelde de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BX9407) hij mag een wet niet naast zich neerleggen omdat de uitkomst hem niet bevalt. De Hoge Raad erkende het probleem wél, en liet de oplossing bewust aan de wetgever, omdat er verschillende beleidskeuzes mogelijk waren. Zo ontstond een decennialange kloof: rechters wisten dat het systeem knelde bij cold cases en veelplegers, maar konden er niets aan doen zonder zelf op de stoel van de wetgever te gaan zitten. Pas nu, na een wetsvoorstel uit 2015 dat in 2018 door de Tweede Kamer werd aangenomen en pas op 20 januari 2026 door de Eerste Kamer, is dat gat gedicht.

Het achterliggende waarom is dus tweeledig:  de maatschappelijke opvatting dat herhaaldelijk ernstig crimineel gedrag zwaarder mag wegen dan het oude maximum toeliet, en  de wens om cold niet langer te laten stranden op een lage strafruimte.

Gaat dit in tegen de rechtszekerheid?

Niet zonder meer. Rechtszekerheid vereist vooral voorspelbaarheid: een verdachte moet vooraf kunnen inschatten welke straf hem maximaal boven het hoofd hangt. Die voorspelbaarheid zit hem niet in een vast breukgetal, maar in een kenbare, bij wet vastgelegde regel. Door de nieuwe bovengrens wettelijk te verankeren in plaats van de oude regeling door rechters te laten passeren, zoals in 2011 gebeurde herstelt de wetgever die voorspelbaarheid juist, al verschuift het plafond wel omhoog.

Herstelt deze wet het probleem van 2011?

Ja, maar niet met terugwerkende kracht. Cassatie in het belang der wet, de procedure waarmee de Hoge Raad het Amsterdamse vonnis in 2013 vernietigde, dient uitsluitend de rechtseenheid. Ze had geen gevolg voor de partij zelf: de tien jaar bleef gewoon staan. Het echte herstel van het onderliggende probleem kon dus alleen via wetgeving, en dat duurde uiteindelijk ruim veertien jaar.

Is dit in strijd met ne bis in idem?

Nee, in juridisch-technische zin niet. Ne bis in idem (artikel 68 Sr, artikel 4 Zevende Protocol EVRM) verbiedt dubbele vervolging of bestraffing voor hetzélfde feit; samenloop gaat juist over verschillende, afzonderlijke feiten. Wel deelt artikel 63 Sr de onderliggende gedachte: door de eerder opgelegde straf in mindering te brengen, voorkomt de regeling dat iemand feitelijk dubbel wordt afgerekend puur omdat zijn feiten toevallig in aparte procedures worden behandeld.

Conclusie

Wat begon als een ongemakkelijk vonnis in Amsterdam, eindigde pas veertien jaar later in een wetswijziging en dat tijdsverloop is zelf onderdeel van het verhaal. De Hoge Raad kon in 2013 wel vaststellen dát het systeem knelde, maar niet hóe het moest worden opgelost: die keuze hoort bij de wetgever, niet bij de rechter. In de tussentijd bleven rechters gebonden aan een regeling waarvan iedereen wist dat ze bij cold cases en veelplegers tot disproportionele uitkomsten kon leiden.

De herziening zelf tast geen van de vier beginselen wezenlijk aan. Ze versterkt de rechtszekerheid juist, door de knellende praktijk van vóór 2013 een heldere, bij wet vastgelegde vervanger te geven. Ze herstelt het onderliggende probleem, alleen niet voor de zaak die het aan het licht bracht. Ze raakt niet aan ne bis in idem, omdat samenloop over verschillende feiten gaat, niet over hetzelfde feit tweemaal. En ze eerbiedigt het legaliteitsbeginsel, zolang de nieuwe, ruimere strafmaat alleen wordt toegepast op feiten gepleegd op of na 1 juli 2026. De winst zit hem dus niet in een principiële doorbraak, maar in iets bescheidener: een wetgever die, zij het traag, alsnog deed wat een rechter niet mocht doen.

 

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven