Eind aan civiel effect bepleit

Delen:

Rob van OtterloHet zogenoemd civiel effect moet verdwijnen. Het belemmert de juridische faculteiten in hun vrijheid zelf een curriculum samen te stellen en innovatief bezig te zijn. De organisaties die de togaberoepen (advocatuur en rechterlijke macht) vertegenwoordigen moeten zich ook veel minder met de inhoud van de universitaire rechtenopleidingen bezighouden. Dat zegt Rob van Otterlo, bijzonder hoogleraar Organisatie van de juridische dienstverlening aan de Universiteit van Amsterdam en voorheen bij de Advocatenorde onder meer verantwoordelijk voor de opleiding van advocaten.

Het civiel effect is een wettelijk vastgelegde beschrijving van de toelatingseisen voor de togaberoepen. Het omvat de hoofdgebieden van het Nederlands recht. Om te kunnen worden toegelaten tot een togaberoep moet een jurist een opleiding met civiel effect hebben gevolgd.

Van Otterlo doet zijn uitlatingen mede naar aanleiding van de uitkomsten van de commissie Kortmann die de opleiding van beginnende advocaten onder de loep nam. De Nijmeegse rector magnificus Bas Kortmann (Radboud Universiteit Nijmegen) gaf in een eerder bericht op deze website aan dat het diploma met een civiel effect-verklaring op dit moment onvoldoende garantie biedt dat een afgestudeerde jurist beschikt over een voldoende grondige kennis van en inzicht in de hoofdgebieden van het Nederlandse recht. Volgens de commissie Kortmann is daarom externe controle op de rechtenopleidingen en een nadere precisering van de vereisten van het civiel effect nodig. In het door de commissie opgestelde rapport ‘Met recht advocaat’ wordt beschreven hoe die precisering vorm kan worden gegeven.

Rob van Otterlo zegt dat het onwenselijk is dat het civiel effect wordt dichtgetimmerd. “Als we het rapport moeten geloven dan krijg je uiteindelijk een situatie waarin de togaberoepen de universiteiten opleggen aan welke vereisten een afgestudeerde jurist precies moet voldoen.” Volgens hem studeren de meeste studenten al regulier Nederlands recht met civiel effect om er zeker van te zijn dat ze altijd nog de advocatuur in kunnen. Het vastleggen van meer strenge en eenvormige vereisten zou die keuze alleen maar versterken. “Een keuze die door de Orde wordt afgedwongen. Innovatie van het curriculum van de universiteiten wordt hierdoor onmogelijk.”

In een eerste reactie ontkent Kortmann deze lezing: “Dat is helemaal niet zo. In ons rapport wordt met zoveel woorden gesteld dat de Orde niet kan bepalen hoe de universitaire opleiding moet worden ingericht. De faculteiten zijn vrij dit te doen zoals het hun goeddunkt. Daarentegen kan de Orde wel aangeven welke kennis en vaardigheden een beginnend advocaat in zijn knapzak moet hebben. De vereisten zijn thans neergelegd in een zeer summiere wettelijke regeling. Zij verdienen nadere precisering. In ons rapport hebben wij daartoe voorstellen gedaan. De Orde kan de minister van Justitie en Veiligheid vragen tot een dergelijke precisering in de wet over te gaan.”

Van Otterlo gaat zelfs nog verder: “Wat mij betreft wordt het civiel effect helemaal afgeschaft: laat duizend bloemen bloeien. Geef de universiteiten alle vrijheid om een curriculum samen te stellen en laat de beroepsopleidingen maar vooral dat procesrecht doceren. Dat leren ze toch het beste in de praktijk.”

Kortmann noemt het afschaffen van civiel effect echter ‘bepaald ongewenst’. “De mr.-titel zou daarmee een volstrekt inhoudloos begrip worden. Het is dan voor de Orde (en andere togaberoepen) geheel onduidelijk wat een pas afgestudeerde jurist kent en kan. Wellicht zou dan een toelatingsexamen ingevoerd moeten worden, maar zo’n examen brengt forse complicaties en aanzienlijke kosten met zich. Je zou zelfs een nog groter circus kunnen optuigen en de Orde alle opleidingen laten visiteren om te kijken wat ze daar precies doen.”

Uit een kleine rondgang langs een paar decanen blijkt dat Van Otterlo’s pleidooi op gemengde reacties kan rekenen. “Onze faculteit heeft altijd heel sterk gehecht aan het civiel effect. We bieden dan ook geen opleidingen zonder dit vereiste aan. Ik kan garanderen dat onze afgestudeerden voldoende beschikken over de vereiste kennis, maar het lijkt mij wel zinvol om te kijken of alle juridische opleidingen die waarborg bieden”, aldus Paul Bovend’Eert, decaan van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij vervolgt: “Ook al zou je het civiel effect loskoppelen van de opleiding, dan zou je alsnog dezelfde vakken moeten geven. Het gaat immers om de hoofdgebieden van het Nederlands recht. Daar hoort ook het procesrecht bij. Je kunt het procesrecht niet zomaar schrappen. Ongeveer 30 procent van de afgestudeerden gaat de advocatuur in. Die groep kan het procesrecht tijdens de beroepsopleiding wel bijspijkeren. Maar wat doe je met de rest? Wij hebben de verantwoordelijkheid om ook die mensen als volwaardig jurist naar de arbeidsmarkt te begeleiden. Pleiten voor het overboord gooien van het civiel effect getuigt van weinig realiteitszin.”

Zijn Rotterdamse collega Maarten Kroeze (Erasmus Universiteit), vindt het niet goed dat de beroepspraktijk nog meer de inhoud van de academische rechtenopleiding wil gaan bepalen. “Het afleveren van kant-en-klare advocaten is geen doel op zich van de universiteiten. Ik snap wel dat de Orde wil weten wie zij binnen krijgt en dat ze daarom toelatingseisen stelt, maar het is de vraag of het civiel effect daarvoor de beste oplossing is.”
Kroeze wil niet tot afschaffing overgaan, maar merkt wel dat het civiel effect een steeds grotere belemmering wordt. “Door de BaMa-structuur moeten we in de bachelorfase al die vereiste vakken doceren om alle studenten te kunnen garanderen dat zij altijd nog kunnen kiezen voor een togaberoep. Daardoor houden we heel weinig flexibiliteit over. Daarnaast gaat het ten koste van verdiepende vakken waarvan de commissie Kortmann zegt dat die ook belangrijk zijn. Ook in andere zin is het civiel effect soms belemmerend. Neem bijvoorbeeld een afgestudeerde natuurkundige die advocaat wil worden. Die moet een volledige rechtenstudie doorlopen. Ik ben ervan overtuigd dat zo’n ervaren iemand zich in één intensief studiejaar alle kwaliteiten van een goede jurist eigen kan maken. Misschien moeten we naar een ander systeem toe. Universiteiten zouden bijvoorbeeld een landelijk civiel effect-examen, dat toetst of studenten bepaalde kennis in huis hebben, kunnen organiseren. Of de Orde zou een toelatingsexamen kunnen instellen.”

Multidisciplinaire jurist

In het afgelopen novembernummer van Mr. gaf Maurits Barendrecht (hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit van Tilburg) aan hoe belangrijk het is dat een jurist ook oog heeft voor andere wetenschappelijke disciplines. Van Otterlo is het daar volledig mee eens. “Juristen worden te eenzijdig opgeleid. Zij zouden veel meer multidisciplinair moeten worden. De gemiddelde jurist weet niets van economie of bedrijfskunde maar wordt wel in de praktijk geconfronteerd met allerlei organisatiekundige aspecten waar hij geen notie van heeft. Die moet hij met schade en schande leren. Daarbij moeten juristen steeds meer samenwerken met mensen vanuit andere disciplines. Juristen die in de fusie- en overnamepraktijk terecht komen, hebben continu met economen, bedrijfskundigen en managers van doen. Dan is het handig als je iets begrijpt van die disciplines. Juristen zouden tijdens hun universitaire studie moeten kennismaken met andere vakgebieden zoals economie, bedrijfskunde, sociologie en psychologie. Dat is wat ik onder innovatie versta. Als je zwaar gaat tamboereren op dat civiel effect, dan maak je het voor de universiteiten onmogelijk om in dat vierjarig curriculum ook nog aandacht te besteden aan die andere gebieden.”

Kortmann is hier niet van overtuigd: “De faculteiten moeten met de beroepsgroep goed doorspreken wat er nu in de universitaire en stagiaire opleiding thuishoort. Je zou samen kunnen afspreken dat in de universitaire opleiding naar verbreding moet worden gestreefd en dat dus in de beroepsopleiding meer aandacht voor het recht moet komen. Maar ik zou zelf heel erg oppassen met het al te zeer verbreden van de rechtenopleiding. En als je dat al zou willen dan kan dat heel goed in de regeling voor civiel effect worden meegenomen.”

Bovend’Eert ziet wel het nut van metajuridische vakken in, maar zou niet weten hoe dat nog in het opleidingsprogramma kan worden opgenomen. “In een rechtenopleiding moet je er in de eerste plaats voor zorgen dat de studenten het systeem van het recht leren doorgronden. Verkorting van de opleiding heeft er helaas toe geleid dat reflectie op andere gebieden niet mogelijk is. Er is te weinig tijd om op allerlei andere gebieden de diepte in te duiken. We hebben te maken met een heel complex rechtssysteem dat steeds complexer wordt dus we hebben die vier jaar hard nodig om volwaardige juristen af te leveren.” De decaan zou het liefst de vijfjarige opleiding herinvoeren. “Dat is helaas een utopie. Die vijf jaar krijgen we nooit meer terug.”

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven