Het onderzoek is uitgevoerd door Pro Facto in samenwerking met de Universiteit Utrecht in opdracht van het WODC. Centraal stond de vraag naar de ervaringen van procesdeelnemers met de praktijk van de OM-strafbeschikking. Die vraag is relevant, omdat het OM vorig jaar aankondigde de strafbeschikking in meer typen zaken te willen gaan inzetten. Dit onder meer doordat de rechterlijke macht dusdanig is overbelast, dat het OM steeds meer moeite heeft met het op zitting ingepland krijgen van strafzaken.
Sneller
Opvallend is dat niet alleen het OM om die reden blij is met de strafbeschikking, maar dat ook verdachten zelf positief staan tegenover de praktijk. Zij vinden het prettig dat een zaak snel wordt afgedaan, zodat zij weten waar ze aan toe zijn. Het lang moeten wachten op een gerechtelijke procedure wordt, door alle onzekerheid die daarmee gepaard gaat, door verdachten als vele malen onprettiger ervaren.
Informatievoorziening
Wel zien de onderzoekers een aantal knelpunten en mogelijkheden tot verbetering. Zo blijkt de informatievoorziening richting verdachten tijdens het strafbeschikkings-proces niet optimaal. Verdachten begrijpen niet altijd welke consequenties een OM-strafbeschikking heeft – zoals de juridische documentatie. Ook krijgen verdachten in de praktijk pas inzage in het gehele strafdossier nadat zij in verzet gaan tegen een strafbeschikking, terwijl inzage in dat dossier de keuze om zo’n beschikking al dan niet te accepteren zou kunnen beïnvloeden. Dit zou ertoe kunnen leiden dat verdachten niet in verzet gaan tegen een beschikking, terwijl ze dat wellicht wel hadden gedaan als ze inzage hadden gehad in het dossier, stellen de onderzoekers.
Slachtofferrechten
Door slachtoffers van strafbare feiten wordt de strafbeschikking een stuk minder positief ervaren, constateren de wetenschappers. Dat komt hoofdzakelijk doordat slachtoffers minder rechten hebben als een zaak niet voor de rechter komt. Wordt een zaak via een OM-strafbeschikking afgedaan, dan moeten zij dus inboeten op hun slachtofferrechten. Dat schiet bij een belangrijk deel van de slachtoffers in het verkeerde keelgat, blijkt uit het onderzoek.
“Het slachtoffer mag niet bij het OM-hoorgesprek aanwezig zijn, heeft geen spreekrecht en heeft weinig mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de procedure. Volgens Slachtofferhulp Nederland en sommige advocaten, zou dat wel wenselijk zijn. Dit zou wel ten koste gaan van bestaande efficiëntievoordelen van de OM-strafbeschikking.”
Kritiek
Het WODC-onderzoek komt op een saillant moment: vorige week concludeerde de procureur-generaal bij de Hoge Raad nog dat de huidige praktijk van oplegging van OM-strafbeschikkingen op meerdere punten wettelijke regels schendt. Eind 2022 trok de PG al eens eerder een soortgelijke conclusie.
Desondanks maakte het OM vorig jaar dus bekend de strafbeschikking vaker te willen gaan inzetten. De Rechtspraak reageerde daar destijds verbolgen op, niet in de laatste plaats omdat het OM zijn voornemen niet vooraf met de Rechtspraak had afgestemd. Ook in de Tweede Kamer werd bezorgd gereageerd op de OM-plannen.
‘Prioriteit’
OM-baas Rinus Otte is desondanks verheugd met het WODC-onderzoeksresultaat, al erkent hij in een reactie in een persbericht de verbeterpunten die de onderzoekers aankaarten. “Daarmee gaan we aan de slag. Want door meer strafbeschikkingen in te zetten, kunnen knelpunten in de strafrechtketen verminderen.”
“Het is belangrijk dat in zaken waarin dat is toegestaan zoveel mogelijk de strafbeschikking wordt ingezet, zodat slachtoffers en verdachten minder lang hoeven te wachten op afdoening van hun zaak dan als deze bij de rechter aangebracht zou zijn. De verdere verbetering van de juridische kwaliteit en uitvoering van het werkproces heeft daarom ook de komende jaren prioriteit.”
