De vervolging van internationale misdrijven, zoals oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, verloopt op internationaal niveau steeds moeizamer. Zo wordt de legitimiteit van het Internationale Strafhof door een aantal landen ontkend, en werken nogal wat landen niet mee met het Strafhof.
Onlangs hebben zowel de Europese balies als de Europese rechtersorganisaties hun steun voor het Hof uitgesproken en opgeroepen het te beschermen tegen de toenemende politieke druk.
Nationale vervolging
Terwijl internationale vervolging steeds lastiger is, is de nationale vervolging van internationale misdrijven de laatste jaren juist enorm gegroeid. Nederland neemt hierbij een pioniersrol aan; er is veel expertise op het gebied van het internationaal strafrecht en in de strafrechtketen bestaan een aantal specifieke units en afdelingen die zich op internationale misdrijven richten.
Kritiek
De nationale route krijgt wel regelmatig kritiek te verduren. Zo zouden Westerse landen zich vooral richten op verdachten van lagere rang (‘kleine vissen’) uit conflicten in het mondiale Zuiden, terwijl vervolging van internationale misdrijven gepleegd door daders uit Westerse landen veelal achterwege blijft. Deze selectiviteit wordt toegeschreven aan politieke keuzes door nationale overheden, maar er was tot nu toe geen empirisch onderzoek naar de besluitvorming over vervolging van internationale misdrijven.
Onderzoek naar selectie
Gezy Schuurmans, promovendus aan Tilburg Law School, onderzocht hoe de selectie van zaken daadwerkelijk verloopt bij het Nederlandse Openbaar Ministerie en de politie. Haar onderzoek maakt deel uit van het vijfjarige onderzoeksproject Joined Up Justice, dat onderzoekt onder welke voorwaarden internationale misdrijven structureel nationaal kunnen worden vervolgd.
Rechtsmacht
Op grond van interviews bij betrokken instanties ontdekte Schuurmans twee factoren die doorslaggevend zijn voor het al dan niet vervolgen van iemand. In de eerste plaats moet iemand onder de rechtsmacht van Nederland vallen. Als een misdrijf in het buitenland is gepleegd door een niet-Nederlandse verdachte, moet deze zich voor vervolging in Nederland bevinden. Daardoor blijven ‘grote vissen’ zoals buitenlandse staatshoofden, ministers en hoge militaire bevelhebbers vaak buiten bereik.
Toegang tot bewijs
De tweede factor die een rol speelt is of er voldoende mogelijkheden zijn om bewijs te vergaren. Bij internationale misdrijven is dat vaak problematisch. Het gebrek aan toegang en medewerking van de staat waar het feit gepleegd is, is een enorm obstakel.
Daar komt bij dat getuigen vaak risico’s lopen, en lang niet altijd zullen willen getuigen. Deze praktische beperkingen in de opsporing zorgen ervoor dat veel zaken uiteindelijk niet kunnen worden vervolgd.
Internationale samenwerking
Het onderzoek laat volgens Schuurmans zien dat de Nederlandse inzet tegen oorlogsmisdaden belangrijk blijft, maar dat de praktijk complex is. Om te komen tot vervolging van meer oorlogsmisdaden, zou meer oog aandacht moeten worden geschonken aan de praktische obstakels. Investeren in het verbeteren van de informatiepositie van politie en Openbaar Ministerie is daarbij van belang, aldus Schuurmans, maar internationale samenwerking blijft onmisbaar om deze belemmeringen weg te nemen.
