De vervolging van internationale misdrijven, zoals oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, gaat steeds moeizamer. Het Internationaal Strafhof in Den Haag staat onder druk nu hoofdaanklager Karim Khan uit zijn functie is gezet na een beschuldiging van seksueel wangedrag, en de Amerikaanse regering oproept het Hof ‘te ontmantelen’. (Onlangs kwamen de gezamenlijke Europese balies nog met een verklaring waarin zij hun steun voor het Hof uitspraken en opriepen het Hof te beschermen tegen de toenemende politieke druk.)
Twee maten
Nu de vervolging door het Internationale Strafhof dreigt vast te lopen, is de hoop gevestigd op de vervolging van internationale misdrijven door nationale autoriteiten. Er bestaat echter ook kritiek op deze route: Westerse landen zouden vooral verdachten van lagere rang uit conflicten in het Mondiale Zuiden vervolgen, terwijl machtige verdachten buiten beeld blijven. Daardoor wordt er met twee maten gemeten, ingegeven door staatsbelangen of politieke motieven. Het Nederlandse Openbaar Ministerie bijvoorbeeld zou geen aandacht hebben voor Nederlanders die meevechten als reservist in het Israëlische leger in Gaza.
Politiek niet doorslaggevend
Maar volgens Gezy Schuurmans, promovendus aan Tilburg Law School, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek niet dat politieke keuzes doorslaggevend zijn bij de selectie van zaken die worden vervolgd. Zij onderzocht hoe Nederlandse officieren van justitie in de praktijk beslissen welke zaken worden opgepakt, zo meldt de Tilburgse rechtenfaculteit in een persbericht.
Schuurmans’ onderzoek maakt deel uit van het vijfjarige onderzoeksproject Joined Up Justice, dat onderzoekt onder welke voorwaarden internationale misdrijven structureel nationaal kunnen worden vervolgd
Rechtsmacht
Op basis van interviews met onder meer medewerkers het OM en de politie identificeerde Schuurmans twee factoren die bepalend zijn voor de vraag of iemand wordt vervolgd. In de eerste plaats moet iemand onder de rechtsmacht van Nederland vallen. Als een misdrijf in het buitenland is gepleegd door een niet-Nederlandse verdachte, moet deze zich voor vervolging in Nederland bevinden. Daardoor blijven buitenlandse staatshoofden, ministers en hoge militaire bevelhebbers vaak buiten bereik.
Toegang tot bewijs
De tweede factor die een rol speelt is of er voldoende mogelijkheden zijn om bewijs te vergaren. Bij internationale misdrijven is dat vaak problematisch. Nederland is afhankelijk van medewerking van het land waar de feiten zijn gepleegd, maar die medewerking ontbreekt nogal eens. Daar komt bij dat getuigen vaak risico’s lopen, en lang niet altijd zullen willen getuigen. Deze praktische beperkingen in de opsporing zorgen ervoor dat veel zaken uiteindelijk niet worden vervolgd.
Internationale samenwerking
Het onderzoek laat volgens Schuurmans zien dat de praktijk complex is. Om te komen tot vervolging van meer oorlogsmisdaden, zou iets aan de praktische belemmeringen moeten worden gedaan. Het verbeteren van de informatiepositie van politie en Openbaar Ministerie speelt een belangrijke rol; meer internationale samenwerking en betere toegang tot bewijs zijn daarbij onmisbaar, aldus Schuurmans.
