Belastingrecht

Over goede koopmannen en slechte beleggingen

Over bedrog schreef François de la Rochefoucauld: ‘Wat ons vooral zo bitter maakt jegens hen die ons trachten te bedriegen, is dat zij menen slimmer te zijn dan wij’. Ongetwijfeld is deze maxime waar, maar wat het nog erger maakt – als het bedrog slaagt – zijn er soms aanzienlijke financiële consequenties. Slachtoffers van beleggingsfraude proberen de bitterheid van het bedrog nog wel eens met de fiscus te delen. De fiscus voelt daar – begrijpelijkerwijs – vaak weinig voor.

Op 17 oktober 2014 besliste de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2014:2980, over beleggingsfraude waarbij een investeerder slachtoffer was geworden van een “Ponzi-scheme”. Deze investeerder ontdekte eind 2008 dat hij zijn eigen (of andermans) inleg als ‘rendement’ ontving (piramideconstructie). Belanghebbende – een besloten vennootschap – wenste bij het opmaken van zijn fiscale balans voor 2005 en 2006 alvast rekening te houden met de later aan het licht gekomen fraude, en de beursaandelen af te waarderen ten laste van de winst.

Een vennootschapsbelastingplichtige mag bij het opmaken van zijn balans rekening houden met alle feiten en omstandigheden die licht werpen op de toestand per balansdatum, ook indien deze pas na balansdatum bekend zijn geworden. Zo doet een goede koopman dat. Ook al was de beleggingsfraude op balansdatum nog niet bekend, ten tijde van het opstellen van de balans wel. Kan belanghebbende dan uitgaan van de (reële) werkelijkheid en de getroffen beursaandelen afwaarderen?

De Hoge Raad besliste dat de werkelijke toestand per balansdatum doorslaggevend is. Maar de bekendheid met het bedrog neemt evenwel niet weg – aldus de Hoge Raad – ‘dat de desbetreffende aandelen op eenvoudige wijze tegen de op de balansdatum geldende beurskoers te gelde hadden kunnen worden gemaakt.’ Bekendheid met de beleggingsfraude laat onverlet dat bij (fictieve) verkoop destijds de beurskoers als prijs zou hebben gegolden; het bedrog was nog immers (nog) niet in de beurskoers verwerkt, zo begrijp ik de beslissing. Goed koopmansgebruik staat alsdan geen lagere waarde toe dan ‘kostprijs of lagere beurswaarde’, tenzij de aandelenverkoop zelfstandig zou hebben geleid tot een koersdaling. Tot het bedrog uitkomt, heeft de goede koopman dus geen reden slechte beursaandelen af te waarderen. Wel tot bitterheid.

Wilt u geen belangrijk juridisch nieuws meer missen?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Over de auteur

Koos Boer

Koos Boer

Koos Boer is hoogleraar algemeen belastingrecht aan de Universiteit Leiden en eigenaar van Lubbers, Boer & Douma B.V.

Reactie toevoegen

Klik hier om een reactie achter te laten

Recente vacatures

Recente vacatures

Winkelmand