Aanleiding voor dit oordeel (ECLI:NL:RVS:2026:3492) was het (vooralsnog) vergeefse verzoek van appellant aan de burgemeester om het op grond van de Opiumwet genomen besluit tot het tijdelijk sluiten van de woning van appellant te herzien. Sinds de woningsluiting is zijn huurovereenkomst ontbonden en is appellant dakloos, is hij zijn inboedel kwijtgeraakt, staat hij de op zwarte lijst, is de omgangsregeling met zijn zoon beëindigd, is de door hem aangevraagde exploitatievergunning om een horecabedrijf uit te baten geweigerd en is hij gediagnosticeerd met PTSS. In de tussenuitspraak overweegt de Afdeling dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herzieningsverzoek inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen.
Dit geldt ook als aan het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd (vgl. de Afdelingsuitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:580). In het laatste geval kan het bestuursorgaan er ingevolge art. 4:6, tweede lid, Awb ook nog steeds voor kiezen om, onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit, het verzoek om hiervan terug te komen af te wijzen. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten volgens de Afdeling worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd (vgl. de Afdelingsuitspraak van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1219). Als de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen.
De bestuursrechter kan evenwel ook tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Daarbij moet de bestuursrechter kijken naar de feiten en omstandigheden van het geval; ook de omstandigheid dat een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is, kan de bestuursrechter betrekken bij zijn beoordeling. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester zich in dit geval in zijn (na een eerste tussenuitspraak gegeven) aanvullende motivering terecht op het standpunt gesteld dat de persoonlijke omstandigheden die appellant naar voren heeft gebracht geen ‘nieuwe feiten en omstandigheden’ in de hiervoor bedoelde zin vormen: op het verlies van woonruimte en de omgangsregeling met zijn zoon had appellant reeds gewezen in zijn zienswijze tegen de voorgenomen sluiting, het verlies van zijn inboedel houdt geen verband met de woningsluiting en de ontbinding van de huurovereenkomst had appellant eerder kunnen en behoren te overleggen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4250).
Voor wat betreft de vraag of de weigering om het oorspronkelijk besluit te herzien evident onredelijk stelt de Afdeling vast dat de burgemeester noch in zijn beslissing op bezwaar, noch in diens aanvullende motivering (van na de eerste tussenuitspraak) de vraag of het oorspronkelijke (primaire) besluit onmiskenbaar onjuist was heeft betrokken in de beoordeling of de afwijzing van het verzoek om herziening evident onredelijk is. Omdat de Afdeling daarom niet kan beoordelen of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, stelt zij de burgemeester in de gelegenheid om dit alsnog te beoordelen Met toepassing van de bestuurlijke lus (als bedoeld in art. 8:51d Awb) is het nu aan de burgemeester om deze beoordeling binnen zes weken van een dragende motivering te voorzien. Op deze wijze geeft de Afdeling handen en voeten aan haar jurisprudentie dat een weigering om te herzien niet evident onredelijk mag zijn. Dat is een goede zaak.
