Voor ondernemers is strafvorderlijk beslag zelden een statistiek. Het is een bevroren bankrekening, een stilgevallen onderneming en maanden of zelfs jarenlange onzekerheid.
Toch presenteerde het Openbaar Ministerie deze week een nieuw record: in 2025 werd voor € 433 miljoen beslag gelegd op crimineel vermogen. Landelijk coördinerend officier van justitie Anita van Dis noemde dat onlangs in De Telegraaf tegelijkertijd “een druppel op een gloeiende plaat”. Er moet dus meer gebeuren.
Dat begrijp ik. Crimineel vermogen moet worden afgepakt. Niemand zal daar serieus anders over denken. Maar waar het OM een record ziet, zijn de gevolgen van beslag moeilijk in een jaaroverzicht te vangen. Voor ondernemers die ermee worden geconfronteerd, zijn die gevolgen vaak allesbepalend.
Vaker dan wordt gedacht, raken ook bonafide ondernemers betrokken bij een strafrechtelijk onderzoek. Niet omdat zij zelf deel uitmaken van de georganiseerde criminaliteit, maar omdat de onder- en bovenwereld steeds vaker met elkaar verweven raken. Geen drugsbaronnen of beroepscriminelen, maar directeuren van familiebedrijven, vastgoedondernemers, transporteurs of handelsondernemingen die zich plotseling in een strafrechtelijk onderzoek bevinden.
De impact wordt pas echt voelbaar zodra beslag wordt gelegd. Vanaf dat moment blijft het vaak niet beperkt tot het strafrechtelijk onderzoek zelf. Een geblokkeerde bankrekening, een omvangrijk KYC-onderzoek van de bank of een financier die afhaakt kunnen de continuïteit van een onderneming ernstig onder druk zetten. De beklagrechter toetst het beslag slechts terughoudend en een inhoudelijk oordeel laat vaak lang op zich wachten, mede doordat strafrechtelijke onderzoeken en de daaropvolgende procedures jaren kunnen duren. Tegen de tijd dat duidelijk wordt of het beslag terecht was, kan de onderneming al onherstelbare schade hebben geleden.
Het OM beschrijft in het jaaroverzicht zelf hoe dat in zijn werk kan gaan. Een onderneming schakelt een tussenpersoon in voor personeel en betaalt daarvoor via de bank. Zonder dat de onderneming het weet, betaalt die tussenpersoon het personeel deels contant uit met crimineel geld. Zo kan een op zichzelf bonafide onderneming onbedoeld verzeild raken in een witwasconstructie. Zodra opsporingsdiensten de geldstromen volgen, kan ook die onderneming met beslag worden geconfronteerd. Voor de opsporing is dat een logische stap. Voor de ondernemer betekent het dat bankrekeningen worden bevroren of bedrijfsmiddelen worden beslagen, terwijl nog allerminst vaststaat dat hij of zij zelf strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Juist dat viel mij ook op in het jaaroverzicht van het OM. Het gaat nauwelijks nog over de klassieke crimineel. Het gaat over facilitators, tussenpersonen, logistieke bedrijven en ondernemers die – soms bewust, maar soms ook onbewust – onderdeel zijn geworden van complexe geldstromen. Dat is een begrijpelijke ontwikkeling. Georganiseerde criminaliteit maakt nu eenmaal gebruik van de bovenwereld.
Maar die ontwikkeling vraagt ook om een andere manier van kijken. Misschien zouden we het succes van het afpakbeleid daarom niet uitsluitend moeten meten aan de waarde van het jaarlijks gelegde beslag. Beslag is immers geen eindresultaat, maar een voorlopige maatregel. Minstens zo relevant is de vraag in hoeveel zaken het gelegde beslag uiteindelijk in stand blijft en leidt tot een definitieve verbeurdverklaring of ontneming. Juist die cijfers zeggen iets over de effectiviteit van het afpakbeleid én over de zorgvuldigheid waarmee dit ingrijpende instrument wordt ingezet.
