In 2005 spraken de ondernemingsraad en werkgever af dat pensioenen van gepensioneerden jaarlijks voorwaardelijk worden geïndexeerd met een streven naar 90 procent van de afgeleide consumentenprijsindex (CPI), gemaximeerd op de loonsverhoging van actieven (het ‘formuledeel’), met daarnaast een discretionaire mogelijkheid voor bijstorting in ‘bijzondere omstandigheden’ (het ‘aanvullende deel’). Deze afspraak werd circa vijftien jaar consequent toegepast, inclusief gebruik van het aanvullende deel in 2011. Daarnaast is afgesproken dat de onderneming in bijzondere omstandigheden kan besluiten extra geld voor indexatie ter beschikking te stellen. In de jaren 2021 tot en met 2024 was de indexatie lager dan 90 procent van de afgeleide CPI. In 2024 kregen de gepensioneerden helemaal geen indexatie. De actieven kregen in dat jaar wel een forse loonsverhoging.
De kantonrechter oordeelt dat werkgever gehouden was de discretionaire bevoegdheid in de bijzondere omstandigheden in te zetten. Deze was dus minder discretionair dan het op het eerste gezicht lijkt. Door indexatie na te laten en dit onvoldoende te motiveren, handelde werkgever in strijd met de afspraken en met (nawerkend) goed werkgeverschap.
Feiten
De ondernemingsraad in deze zaak vordert een verklaring voor recht dat de indexatieafspraak met de werkgever zo moet worden uitgelegd dat in ieder geval moet worden geïndexeerd strevend naar een verhoging met 90 procent van de stijging van de afgeleide CPI, althans zodanig dat de ontwikkelingen van de pensioenen niet uit de pas gaan lopen met de ambitie en dat het aanvullende deel van de indexatieregeling bedoeld is om bij te sturen in situaties waarin bij enkele toepassing van het ‘formuledeel’ de ambitie van 90 procent niet gehaald dreigt te worden. Daarnaast vordert de OR dat wordt vastgesteld dat werkgever niet ongemotiveerd van de aanvulling kan afzien en dat er strijd is met goed werkgeverschap nu dit tussen 2021 en 2024 wel is gebeurd. Ook wordt het beschikbaar stellen van de financiële middelen gevorderd.
Oordeel
De kantonrechter is van mening dat er in strijd met gemaakte afspraken en goed werkgeverschap is gehandeld (ECLI:NL:RBROT:2026:5176). Er is immers in enig jaar aan de actieve deelnemers een forse – uitzonderlijk hoge – salarisverhoging gegeven als compensatie voor de geringe verhoging in de jaren ervoor, terwijl de gepensioneerden geen indexatie kregen door een te lage afgeleide CPI, en door geen extra storting te doen voor een extra uitkering aan de gepensioneerden.
Dat maakt dat de afspraken die zijn gemaakt over de indexatie, niet zo discretionair waren. Ook oordeelt de kantonrechter dat de werkgever wel financiering beschikbaar moet stellen voor een redelijke compensatie van de gemiste indexatie over de jaren 2021-2024.
De kantonrechter gaat daarbij over tot een uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken. En geeft aan hoe die afspraken moeten worden uitgelegd.
De kantonrechter oordeelt dat de tussen partijen gemaakte indexatieafspraak zo moet worden uitgelegd dat de werkgever zich heeft verbonden te streven naar een indexatie van 90 procent van de afgeleide CPI, gemaximeerd op de loonsverhoging van de actieven (‘het formuledeel’), althans zodanig te indexeren dat de ontwikkelingen van de pensioenen niet uit de pas gaan lopen met de ambitie. Het ‘aanvullende deel’ van de indexatieregeling is naar het oordeel van de kantonrechter bedoeld om, als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de indexatie-ambitie door toepassing van het ‘formuledeel’ niet gehaald dreigt te worden, bij te storten om toch een indexatie te kunnen doen. Voor zover de werkgever dat zo niet heeft bedoeld, vindt de kantonrechter dat de ondernemingsraad hier gerechtvaardigd op mocht vertrouwen.
Het gaat dus niet om uitleg van het pensioenreglement tussen pensioenfonds, deelnemers en werkgever en gepensioneerden. De afspraak om bij te storten is een afspraak die is gemaakt tussen werkgever en de OR. Voor de uitleg van die afspraak wordt in principe uitgegaan van de Haviltex-norm.
Wel geldt dat nu de rechtspositie van de gepensioneerden in het geding is, als uitgangspunt gekeken moet worden naar de objectief kenbare feiten en omstandigheden, zoals de tekst van de regeling.
Maar ook mag de partijbedoeling er dus bij betrokken worden. Het doel van een objectieve uitleg is namelijk bescherming van derden. De afspraak tussen de OR en werkgever over het doen van een bijstorting voor een extra indexatie is ook bedoeld om die derden (de gepensioneerden) te beschermen. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de eisen van goed werkgeverschap, die ook na het einde van het dienstverband blijven gelden.
Nu er niet/ondeugdelijk gemotiveerd niet werd bijgestort, is dat in strijd met de gemaakte afspraken. Van een goed werkgever kan ook verwacht worden dat zij zich bekommert om de waardevastheid van de pensioenen van de gepensioneerden en de ambitie waar te maken. Dan past een forse loonsverhoging voor de actieven niet bij een weinig indexeren van de gepensioneerden.
Conclusie
Een interessante uitspraak over de indexering van een pensioenregeling. Een discussie die veel in de praktijk voorkomt, omdat er natuurlijk altijd het spanningsveld is tussen indexering voor de slapers en gepensioneerden en het inzetten van budget voor de actieven. Een werkgever heeft zeker belangen bij het inzetten van budget voor de actieven, omdat daar de omzet mee gehaald moet worden. Maar dat laat onverlet dat de slapers en gepensioneerden daar niet bij achtergesteld kunnen worden. Hun belangen wegen even zwaar. Zeker zolang de werkgever het tegendeel niet kan aantonen. Het is voor menig werkgever dan ook vaak balanceren op het koord. Goede en gedegen afspraken met de OR en vaak ook verenigingen van gepensioneerden kunnen dan wel uitkomst bieden, waardoor een gang naar de rechter en onverkwikkelijke discussies vermeden kunnen worden.
