De zaak die bij de Hoge Raad lag was feitelijk heel overzichtelijk (ECLI:NL:HR:2025:1237). Een melkveemaatschap uit Noord-Brabant leent in 2014 bijna 1,2 miljoen euro bij Rabobank voor een nieuwe stal en grond. Het plan was om het bedrijf uit te breiden naar 199 melkkoeien, wat zou kunnen omdat het melkquotum per 1 april 2015 op de schop zou gaan. En de stal komt er, met als gezegd financiering van de Rabobank. Maar op 2 juli 2015 – de stal is dan nog niet in gebruik – kondigt de staatssecretaris een fosfaatrechtenstelsel aan met diezelfde datum als peildatum. De fosfaatrechten die de maatschap ontvangt, zijn onvoldoende voor de beoogde uitbreiding. Met als gevolg van de economische haalbaarheid van de investering wegvalt.
De maatschap richt vervolgens haar pijlen op Rabobank met de stelling dat de bank haar had moeten waarschuwen, althans had moeten onderzoeken of de maatschap de risico’s van veranderende regelgeving überhaupt overzag. Het hof Arnhem-Leeuwarden geeft de maatschap gelijk: Rabobank is marktleider in de agrarische sector, houdt de relevante wetgevingsontwikkelingen bij, en had uit het bedrijfsplan kunnen afleiden dat de maatschap geen rekening hield met productiebeperkende maatregelen. Dat bracht een zorgplicht mee.
Rabobank gaat tegen dit oordeel van het hof in cassatie en formuleert een principieel verweer: verandering van wetgeving is een klassiek ondernemersrisico. Bij zakelijk krediet (een eenvoudig product) aangegaan met een professionele cliënt, met wie geen adviesrelatie bestaat, hoeft een bank niet voor ondernemersrisico’s te waarschuwen.
Maar daar gaat de Hoge Raad niet in mee. Om vervolgens toch het arrest van het hof te vernietigen. De principiële lijn die de Hoge Raad trekt is dat een bank bij een zakelijk krediet in beginsel niet hoeft te corrigeren voor een gebrek aan inzicht over kwesties die tot het terrein van de ondernemer behoren. Maar dat geldt niet onverkort als de bank kan vermoeden dat de ondernemer een relevante toekomstige ontwikkeling niet overziet. In dat geval kan de bancaire zorgplicht meebrengen dat de bank zich ervan vergewist of de ondernemer die ontwikkeling kent, en zo niet, haar kennis deelt. Dat geldt ook als het gaat om mogelijke wetswijziging op het terrein van de onderneming.
Geen waarschuwingsplicht dus, maar een vergewisplicht als tussenstap. Dat is een subtiel maar wezenlijk verschil. De bank hoeft geen voorspelling te doen over de toekomst. Maar ze moet wel rekening houden met de mogelijkheid dat haar klant een risico niet kent – om vervolgens te controleren of dat zo is.
Waarom vernietigt de Hoge Raad dan toch? Omdat het hof bij die beoordeling cruciale stellingen van Rabobank onbesproken had gelaten. Een van de maten was een ervaren melkveehouder met meer dan dertig jaar sectorkennis. De andere maat was assistent-accountant bij een agrarisch gespecialiseerd kantoor. De maatschap had gespecialiseerde adviseurs, waaronder een bedrijfsadviesbureau dat nadrukkelijk op de hoogte was van de fosfaatproblematiek. Het bedrijfsplan verwees zelf naar marktontwikkelingen en een sectorvisie van Rabobank. De kamerbrieven van de staatssecretaris – waarin al in december 2013 productiebeperkende maatregelen werden aangekondigd bij overschrijding van het fosfaatplafond – waren openbaar en voor beiden kenbaar. Die omstandigheden zijn dus relevant voor de centrale vraag: moest Rabobank er rekening mee houden dat deze maatschap het risico niet overzag? Het hof had die vraag beantwoord op basis van twee zinnen uit het bedrijfsplan, zonder in te gaan op al deze feiten. Dat was motiveringsgebrek en zal dus alsnog moeten gebeuren.
Toch is deze uitspraak van belang van de praktijk. De vergewisplicht is geen lage drempel. Zij geldt niet automatisch, en lijkt volgens dit arrest niet snel aangenomen te moeten worden als de klant ervaren is, deskundig wordt bijgestaan en de relevante informatie publiek beschikbaar was. Maar als zij geldt, is de bank gehouden actief te controleren of haar klant het risico kent – en zo niet, haar te informeren.
Voor banken is het dus van belang goed vast te leggen wat zij weten over de kennis en ervaring van hun cliënten, welke adviseurs betrokken zijn en wat er met de cliënt is besproken. Al is het maar om achteraf te kunnen laten zien dat de juiste afweging is gemaakt.
De Hoge Raad lijkt in elk geval geen harde grens te willen trekken ten aanzien van de zorgplicht. Hij maakt wel duidelijk dat het niet de vraag is of de bank wil waarschuwen voor alle mogelijke toekomstscenario’s. De vraag is of de bank reden had om te twijfelen aan het inzicht van haar klant in de risico’s. Dat is een beoordelingsvraag en die zal de rechter van geval tot geval moeten beantwoorden.
