Aanwijzing van een advocaat; het loopt de spuigaten uit!

Weet u het nog? In 2022 moest een advocaat worden aangewezen voor een procedure voor de Russische staat. De deken weigerde de aanwijzing in eerste instantie, tot het Hof van Discipline oordeelde dat in dit geval de weigering in strijd was met het fundamentele beginsel van de Nederlandse rechtsstaat dat eenieder toegang tot de rechter moet kunnen hebben (ECLI:NL:TAHVD:2022:132). Sindsdien is het aantal verzoeken om aanwijzing van een advocaat explosief gestegen.
beeld: Depositphotos

In 2025 zijn maar liefst 627 verzoeken om aanwijzing van een advocaat gedaan, waarvan er 194  hebben geleid tot een daadwerkelijke aanwijzing. In vergelijking met de aantallen in 2021 (382 verzoeken om aanwijzing) kan worden gesproken van een explosieve stijging. Ook bij de beklagzaken die bij het Hof van Discipline worden gestart is die stijging zichtbaar, alhoewel minder explosief. Van 30 beklagzaken in 2021 tot 51 in 2025.  

Waar voorheen met name voor bij voorbaat kansloze procedures geen advocaat kon worden gevonden, is inmiddels ook sprake van een krapte op de markt van de sociale advocatuur, waardoor mensen steeds vaker een beroep moeten doen op de deken om een advocaat te kunnen vinden. De deken wijst dan ook vaker aan dan in voorgaande jaren. Als de deken echter besluit om het verzoek niet in te willigen, dan is daar ook echt een goede reden voor. In 2025 werd namelijk maar in twee beklagzaken geoordeeld dat de deken ten onrechte geen advocaat had aangewezen. 

Alleen even kijkend naar de beklagzaken op grond van artikel 13 Advocatenwet in juni 2026 stuitten wij al op zeven afwijzende uitspraken, van uiteenlopende aard. De vraag is dan ook of de vereisten die gelden bij een verzoek om aanwijzing niet verder aangescherpt zouden moeten worden, om te voorkomen dat zoveel onnodige procedures worden gevoerd en dekens elk verzoek inhoudelijk moeten beoordelen, zelfs als bij voorbaat overduidelijk is dat het verzoek kansloos is en een beklag zal worden afgewezen. Een paar voorbeelden.

Op 29 juni 2026 oordeelde het Hof bijvoorbeeld dat een verzoek om aanwijzing van een advocaat wel zodanig moet zijn opgesteld dat duidelijk is om wat voor soort zaak het nu eigenlijk gaat. Het is aan de verzoeker om dit, voorzien van aanvullende informatie, op een goede manier te onderbouwen. In deze zaak bleek het namelijk zelfs voor het Hof van Discipline niet duidelijk wat het geschil was waarvoor aanwijzing werd verzocht. Bovendien had de verzoeker zelf niet erg hard gezocht, terwijl aanwijzing van een advocaat echt als vangnetvoorziening moet worden gezien en pas kan worden ingezet wanneer iemand zelf niet in staat is een advocaat te vinden.  

Op 22 juni 2026 verklaarde het Hof een beklag niet-ontvankelijk omdat er geen belang meer was bij de handhaving ervan. Er was namelijk op 17 december 2025 verzocht om aanwijzing van een advocaat omdat klager een kort geding wilde starten over de omgang tijdens de kerstvakantie. Aangezien die vakantie al was afgelopen tegen de tijd dat het verzoek kon worden behandeld, was er geen belang meer bij de handhaving ervan. Overigens had de deken in die zaak het verzoek tijdig afgewezen op de grondslag dat de kans van slagen te gering was. 

Eveneens op 22 juni 2026 oordeelde het Hof dat het niet zo is dat een deken altijd een advocaat móét aanwijzen wanneer een verzoeker er zelf niet in slaagt een advocaat te vinden, zelfs niet als hij al een toevoeging heeft gekregen en het een complexe procedure betreft. Ook onder die omstandigheden kan een aanwijzingsverzoek worden afgewezen, bijvoorbeeld omdat in de gewenste procedure geen verplichte bijstand door een advocaat geldt. 

 Op 22 juni 2026 werd zelfs nog een derde beklag beoordeeld en werd klager niet-ontvankelijk verklaard. Klager had namelijk al aan het Hof bericht dat hij een advocaat bereid had gevonden hem bij te staan en aanwijzing niet meer nodig was. Hij handhaafde zijn aanwijzingsverzoek echter omdat hij daar nog steeds een belang bij zou hebben. Het was namelijk niet de verdienste van de deken dat hij een advocaat had gevonden, aldus klager. Het ging echter om een zaak waarin hoger beroep moest worden ingesteld, terwijl dat vanwege het beperkte financiële belang niet mogelijk was. Om die reden had de deken het verzoek afgewezen. Het Hof maakte korte metten met de wraakactie van klager en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. 

Al met al blijkt de procedure ex artikel 13 Advocatenwet bewerkelijk, zijn de verzoekers (wellicht mede als gevolg van AI) steeds mondiger en neemt het aantal verzoeken hand over hand toe, terwijl het in veel gevallen maar de vraag is of de belasting van deken en Hof terecht is.

Wilt u vanaf nu elke maand een samenvatting van alle snelrechtartikelen van Mr.-Online in uw mailbox? Klik hier

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven