De slapende rechter

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

“Wie geschoren wordt moet stil zitten” en bovendien spreken rechters alleen door hun uitspraken. Wie dat als leidraad neemt spreekt zich dus als rechter liever niet uit over het boek “slapende rechters” ( door Wagenaar, Israëls en van Koppen; Bert Bakker 2009)

Maar ja, een columnist hoeft niet per definitie verstandig te zijn.

In dit boek, waarvan de kaft voorzien is van een uil ( niet slapend maar wel met half geloken ogen) wordt de stelling betrokken dat (1) er rechterlijke dwalingen voorkomen, doordat (2) rechters zitten te slapen en (3) dat er daarom een nieuwe instantie ( een Nationale Revisieraad) moet komen van buiten de rechterlijke macht om op herzieningsverzoeken te beslissen.

De motivering voor deze stellingen wordt gevonden in de beschrijving van acht recente strafzaken waarin de rechter daadwerkelijk zou hebben zitten slapen ( Eper incest; Ina Post; Drontener Bosmoord; zaak van Gijn;Schiedammer parkmoord; Sneker balkonmoord; zaak Tamboer;zaak Boxmeer). Wanneer U als oplettende krantenlezer de zaken van Gijn en Boxmeer niet herkent dan klopt dat want die hebben de schrijvers geanonimiseerd “omdat deze zaken weinig publiciteit hebben getrokken, zodat er niet van uit gegaan kan worden dat de namen toch al bekend zijn. De bescherming van betrokkenen weegt zwaar genoeg om ze in de anonimiteit te laten.”aldus de schrijvers ter verklaring. Van die twee – zozeer bekritiseerde – uitspraken kan de geïnteresseerde lezer dus helaas geen kennis nemen.

Stelling (1) van de schrijvers hoeft niet te worden weersproken. Rechterswerk is mensenwerk en missers komen voor, zelfs in twee instanties. Sommige van de gegeven voorbeelden zijn daarvoor beeldend.

Stelling (2) is al meer aanvechtbaar: wie de gegeven voorbeelden doorleest krijgt de indruk dat de rechters niet zozeer hebben zitten slapen ( “iets hebben gemist”) dan wel dat zij de bewijsmiddelen in die zaken anders hebben geïnterpreteerd en geselecteerd dan Wagenaar c.s. zouden hebben gewild. Dat klemt temeer omdat de schrijvers – in een aantal van die zaken – zelf advies hebben uitgebracht. Felle kritiek wordt daarbij geuit op het “systeem-van-strepen”, het systeem waarbij onderdelen van de tenlastelegging worden “uitgestreept”(= niet bewezen verklaard) en onderdelen uit het strafdossier als bewijsmiddelen worden uitgeselecteerd. Nu behoren beide methoden tot het wezen van de strafrechtspraak: de rechter zal moeten uitspreken welk gedeelte van de tenlastelegging hij bewezen verklaart en welk gedeelte niet en ook welke bewijsmiddelen hij daartoe redengevend vindt. Als gesteld wordt dat die beslissingen soms onvoldoende worden gemotiveerd hebben de schrijvers een punt. Maar als Wagenaar c.s. suggereren dat op die praktijk geen controle plaatsvindt is dat onjuist, de gerechtshoven kunnen uitspraken van de rechtbanken al of niet bevestigen. Bewijsmiddelen mogen niet worden gedenatureerd. En in de cassatiefase is de Hoge Raad in ieder geval in staat in het dossier te kijken en een te willekeurige selectie van bewijsmateriaal als motiveringsgebreken af te straffen.

Maar – even aangenomen dat (1) rechters fouten maken en (2) dat wordt veroorzaakt door “zitten slapen”- het moeilijkste punt van het boek zit hem toch in de redenering met het oog op de geboden oplossing: herziening door een (nieuw op te richten) Nationale Revisieraad in plaats van , zoals nu geregeld, herziening door de Hoge Raad.

Wagenaar, Israëls en van Koppen gispen het nu bestaande zogenaamde “novumprincipe” in de herzieningspraktijk. Dit houdt in dat herziening alleen mogelijk is wanneer sprake is van een novum, een nieuw feit dat bij de behandeling door het gerechtshof nog niet bekend was en dat, ware het wél bekend geweest, het oordeel van het hof had kunnen beïnvloeden. Dit beginsel is uiteraard door de wetgever uitgedacht om te voorkomen dat massaal herzieningsverzoeken zouden moeten worden behandeld en zo een derde feitelijke instantie zou ontstaan. Terecht wordt in het boek gesteld dat evidente fouten van “slapende rechters” in het huidige systeem niet kunnen worden hersteld omdat die rechters – zouden zij niet hebben geslapen – die fouten niet zouden hebben gemaakt. Maar dan is wel onbegrijpelijk dat zij ( op dezelfde blz. 10) stellen: “Herziening is ook niet goed voor het aanzien van de rechtspraak, omdat de betekenis daarvan in de grond toch is dat de leden van het hof hebben zitten slapen. Er moet dus bij de Hoge Raad wel een zekere afkeer van herzieningsbeslissingen zijn.” Nee: ófwel het gerechtshof heeft zitten slapen, dus iets gemist wat wél bekend was, dan kan de Hoge Raad er in herziening niet meer aankomen ófwel er is iets nieuws gebeurd, dan kan de Hoge Raad er in herziening wél aankomen maar dan is het ook niet “defamerend” voor de rechterlijke macht. Allebei kan niet!

De schrijvers hebben het door het boek heen overigens voortdurend over de rechterlijke macht als een “closed shop”, met “als schaduwzijde onderlinge protectie en toedekking”. Dat wordt dan geïllustreerd met het niet afleggen van publieke verantwoording voor gemaakte fouten in de Schiedammer Parkmoord met een beroep op het geheim van de raadkamer of door een verwijzing naar Machielse als Advocaat-generaal ( bij de Hoge Raad) in zaak A en als lid van het Hof in zaak B ( “of om het maar duidelijk te zeggen: Machielse die het werk van andere Machielsen beoordeelt” blz. 224). Alsof gerechtshoven niet te maken hebben met het geheim van de raadkamer als een wettelijk feit en alsof normale loopbaanontwikkelingen er aan in de weg zouden staan tot een eerlijke beoordeling te komen van beslissingen van instanties waar men eerder deel van heeft uitgemaakt.

Enfin: de Hoge Raad dus ook in verband met de closed shop afgeserveerd als herzieningsinstelling.

Maar wat dan?

Ook de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken ( CEAS), die onlangs de zaak Ina Post ter herziening heeft voorgedragen kan niet op de steun van Wagenaar c.s. rekenen. Want ook deze commissie behoort tot de closed shop nu voorzitter Buruma plaatsvervangend raadsheer is in het hof te Arnhem….

De schrijvers kiezen in hun slotwoord voor een “Nationale Revisieraad” “naar het model van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid, die op instigatie en onder leiding van prof. Pieter van Vollenhoven tot stand is gekomen.” De door ons psychologentrio zo gemaledijde juristen zouden daarin slechts een minderheid van het aantal plaatsen mogen bezetten….

De schrijvers roepen parlement en regering op zo snel mogelijk tot de instelling van zo’n Revisieraad over te gaan. En met een merkwaardig gevoel voor staatsrechtelijke verhoudingen worden vervolgens ook “niet in de laatste plaats de verantwoordelijke rechterlijke organisaties ” opgeroepen dit streven te bevorderen.

Waarvan acte.

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Meest gelezen berichten

Van onze kennispartners

Juridische vacatures

Ook interessant:

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten..

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl

Scroll naar top