Van politici moeten burgers (van 15 jaar en ouder) maar weinig hebben: slechts 21,1 procent van hen heeft daar vertrouwen in. Tien jaar geleden stond dit percentage nog op 26,5. Vooral Kamerleden scoren laag: 24,6 procent. In 2020 stond hun percentage nog op 53,2 (midden in de coronaperiode) maar over de afgelopen veertien jaar schommelde het tussen eind 30 en (later) begin 30 procent. Het vertrouwen in grote bedrijven is ook al laag: 39,5 procent, dit zit de laatste tien jaar structureel onder de 40.
Rechters
Maar dan rechters. Die zijn bezig met een gestage opmars en vormen nu een beroepsgroep waarin burgers zo’n beetje het meeste vertrouwen in hebben. In 2012 zei nog 68,8 procent veel vertrouwen te hebben in rechters, daar kwam steeds een beetje bij. Nu zegt 78,2 procent vertrouwen te hebben in rechters, evenveel als vorig jaar. Alleen in 2021 was dit percentage iets hoger: 79,2.
Politie
Gemiddeld zegt 63,3 procent van de burgers vertrouwen te hebben in andere burgers. Rechters zitten daar dus fors boven. Wel moeten rechters de politie boven zich dulden, die scoort 78,4 procent. Naast rechters en de politie doet het leger het niet slecht (66,0 procent), de gemeenteraad (54,5), de Europese Unie (51,4) en banken 58,4 procent).
Vertrouwen
Het vertrouwen in de medemens heeft het CBS vastgesteld door te vragen of andere mensen over het algemeen te vertrouwen zijn of dat ze niet voorzichtig genoeg kunnen zijn in de omgang met mensen. Bij kerken, leger, rechters, pers, de politie, de Tweede Kamer, politici, de gemeenteraad, ambtenaren, de gezondheidszorg, banken, grote bedrijven en de Europese Unie is gevraagd of de respondent hier heel veel, tamelijk veel, niet zo veel of helemaal geen vertrouwen in heeft. De percentages slaan op het aandeel dat heel veel of tamelijk veel vertrouwen in deze organisaties of mensen heeft.
