Ik wil vooropstellen dat dit geen wanhopige poging is om uitgenodigd te worden op de BBB-barbecue van Caroline van der Plas, maar graag wil ik je aandacht voor het probleem van de bijna onmogelijke verduurzaming binnen de intensieve veehouderij. Laat ik ook meteen duidelijk zijn over dat dit ook geen pleidooi is om stikstofregels overboord te gooien. De natuur staat onder druk, Natura 2000 gebieden moeten worden beschermd en Nederland heeft daar Europese verplichtingen voor. Dat staat allemaal niet ter discussie.
En als je nu de boeren in Nederland wilt aankijken, wil ik je toch vragen weer even mijn kant op te koekeloeren. Het gekke is dat het probleem niet zozeer ligt aan de boer die niet wilt verduurzamen, maar de juridische eisen die gelden voor de verduurzaming. Want een boer die zijn bedrijf wil aanpassen, bijvoorbeeld door een nieuwe stal te bouwen of emissiearme technieken te installeren, kan dat niet zomaar doen. Zo’n wijziging is juridisch een nieuw project. En voor een nieuw project moet worden aangetoond dat het geen schadelijke gevolgen heeft voor Natura 2000 gebieden.
Als zo’n project wel extra stikstof veroorzaakt, komt er in beginsel geen vergunning. Tenzij de boer kan laten zien dat die uitstoot ergens anders wordt gecompenseerd, zodat de totale stikstofdepositie per saldo niet toeneemt.
En daar komt het begrip salderen om de hoek kijken.
Salderen is eigenlijk niets meer dan schuiven met stikstofruimte. Bij intern salderen gebeurt dat binnen het eigen bedrijf. Een oude, meer vervuilende stal wordt bijvoorbeeld vervangen door een nieuwe stal die minder stikstof uitstoot. De stikstof die daardoor wordt bespaard, wordt gebruikt om de nieuwe situatie te vergunnen. Bij extern salderen wordt gebruikgemaakt van stikstofruimte die vrijkomt doordat een ander bedrijf geheel of gedeeltelijk stopt.
Het uitgangspunt is eenvoudig: zolang de totale stikstofuitstoot niet toeneemt en vaak zelfs afneemt, zou zo’n project mogelijk moeten zijn.
Alleen werkt dat sinds eind 2024 niet meer zo eenvoudig.
Sinds de uitspraken van de Raad van State moet namelijk óók aan het zogenoemde additionaliteitsvereiste worden voldaan.
Het additionaliteitsvereiste moet voorkomen dat dezelfde stikstofreductie twee keer wordt gebruikt. Als een bepaalde afname van stikstof eigenlijk al nodig is om de natuurdoelen te halen, kun je diezelfde afname niet óók gebruiken om een individueel project mogelijk te maken. Anders geef je als het ware dezelfde euro twee keer uit.
Ook dat klinkt op zichzelf heel redelijk.
Alleen lijkt de manier waarop dit vereiste tegenwoordig wordt toegepast, een stuk minder effectief.
De Raad van State heeft namelijk geoordeeld dat een provincie moet kunnen uitleggen waarom de stikstofreductie die voor een project wordt gebruikt, niet óók nodig is om de algemene natuurdoelen te behalen. En precies daar wringt de groene voet in het klompje.
Want Nederland heeft een structureel stikstofprobleem. Vrijwel iedere vermindering van stikstof draagt dus in zekere zin bij aan het behalen van die natuurdoelen. Het is daardoor ontzettend lastig om met zekerheid te zeggen dat een bepaalde stikstofreductie nergens anders voor nodig is.
Het gevolg is dat provincies steeds terughoudender worden met het verlenen van vergunningen.
En dan ontstaat een opmerkelijke realiteit: stel een boer heeft een oude stal die jaarlijks honderd eenheden stikstof uitstoot en hij wil investeren in een nieuw stalsysteem waardoor de uitstoot daalt naar zeventig. Vroeger kon die afname worden gebruikt om de nieuwe vergunning te verlenen. De natuur schoot daar uiteindelijk dertig eenheden mee op. Nu kan die vergunning stranden, omdat diezelfde dertig eenheden misschien óók nodig zijn voor het algemene natuurherstel.
En wat gebeurt er dan?
De oude stal blijft gewoon staan, met een uitstoot van honderd.
Dat is precies het probleem. We bieden geen mogelijkheid voor een relatief betere situaties maar handhaven datgeen die belastender is voor de natuur. Het vervelende is dat dit niet alleen boeren raakt. Hetzelfde speelt bij fabrieken die willen elektrificeren, bedrijven die willen investeren in schonere technieken en zelfs woningbouwprojecten die per saldo tot minder stikstof leiden. Zonder vergunning komt die verduurzaming simpelweg niet van de grond, en zitten wij nog altijd met een woningtekort.
Juist daarom klinkt steeds vaker kritiek op de huidige uitleg van het additionaliteitsvereiste. Niet omdat natuurherstel onbelangrijk zou zijn, maar omdat de vraag gerechtvaardigd is of deze uitleg nog wel doet waarvoor zij bedoeld is.
Want uiteindelijk wil je dat de totale stikstofuitstoot afneemt.
Als de juridische regels ertoe leiden dat verduurzaming wordt uitgesteld en bestaande, meer vervuilende situaties in stand blijven, dan is het de vraag of we de natuur daar werkelijk een dienst mee bewijzen.
Misschien is dat wel de grootste paradox van het Nederlandse stikstofbeleid. We proberen de natuur zo goed mogelijk te beschermen, maar lopen het risico dat juist de projecten die daadwerkelijk tot minder uitstoot leiden, als eerste vastlopen.
En dat lijkt, hoe je het ook wendt of keert, een lastig uit te leggen vorm van duurzaamheid, maar hopelijk wel eentje waarmee je punten kunt scoren bij je volgende barbecue deze zomer!
