Ontbindingsbevoegdheid onderhuurder als gevolg einde hoofdhuur?

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

De verhuur van voertuigen heeft op 23 februari 2018 geleid tot een principieel arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:284): blijft de onderhuurder, bij beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst, gebonden aan de onderhuurovereenkomst of kan hij de onderhuurovereenkomst (laten) ontbinden en/of nakoming opschorten?

Anders dan de kantonrechter en het gerechtshof, overweegt de Hoge Raad dat het einde van de hoofdhuurovereenkomst niet noodzakelijkerwijs betekent dat de hoofdhuurder niet langer in staat is om de onderhuurder het gebruik van het gehuurde te verschaffen en daardoor tekortschiet. Het gaat, aldus de Hoge Raad, bij de verbintenis van de verhuurder ex art. 7:201 en 7:203 BW om de mogelijkheid voor de huurder om de zaak daadwerkelijk te kunnen gebruiken. De Hoge Raad wijst erop dat voor de geldigheid van een huurovereenkomst niet is vereist dat de verhuurder eigenaar van het gehuurde is. Indien de verhuurder niet, op grond van een eigendomsrecht of anderszins, bevoegd is tot verhuur aan de huurder, is pas sprake van een gebrek (en daarmee van een tekortkoming) als een derde tegenover de huurder een “beter recht pretendeert te hebben” én het als gevolg daarvan tot een feitelijke stoornis van het gebruik komt.

Het voorgaande betekent, aldus nog steeds de Hoge Raad, echter niet dat de (onder)huurder, indien hij tijdens de duur van de huurovereenkomst ermee bekend wordt dat zijn verhuurder niet (langer) tot (onder)verhuur bevoegd is, de daaruit voortvloeiende onzekerheid of, en zo ja wanneer, een feitelijke genotstoornis zal optreden, dient te aanvaarden. In een voorkomend geval kan hij, met het oog op de dreigende tekortkoming, een beroep doen op art. 6:80 BW om de huurovereenkomst te ontbinden of ex art. 6:263 BW zijn betalingsverplichting opschorten.

Het zal aan de (onder)huurder die zich wenst te beroepen op art. 6:80 lid 1 sub c en/of 6:263 BW zijn om aan te tonen dat hij goede gronden heeft om te vrezen dat de (onder)verhuurder tekort zal schieten. In een situatie als de onderhavige, zou de onderhuurder, ter onderbouwing van zijn vrees, een verklaring van de hoofdverhuurder kunnen vragen dat hij voornemens is het gehuurde op te eisen.

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten.

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl

Scroll naar top