Ongewenste beïnvloeding, een grondrechtelijke gevoelige kwestie

Delen:

beeld: Depositphotos

Naar aanleiding van het Rapport ‘Ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen’ wil de Tweede Kamer buitenlandse financiering van Nederlandse moskeeën aan banden leggen. Zulke beperkingen zouden echter wel eens kunnen botsen met de vrijheid van godsdienst.

Momenteel bereidt het kabinet een proeve van wetgeving voor die ziet op een eventueel verbod op buitenlandse financiering van religieuze organisaties. Het doel dat het kabinet daarmee hoopt te bereiken is het tegengaan van radicalisering en verspreiding van ondemocratisch gedachtegoed. Niettemin realiseert de overheid zich dat zulke beperkende maatregelen een grote impact op religieuze organisaties zullen hebben. Gezien de complexiteit, is de Raad van State om advies gevraagd betreffende een eventueel conflict met het recht op vrijheid van godsdienst.

Financiële steun wordt in principe niet door artikel 6 van de Grondwet beschermd. Het recht op vrijheid van godsdienst strekt tot het wel, of niet, hebben van een godsdienst of levensovertuiging en het belijden daarvan. Onder belijden moeten slechts die handelingen worden verstaan die uitdrukking geven aan de desbetreffende godsdienst. Het zal lastig zijn om te beargumenteren dat geldverstrekking uit louter de Golfstaten uitdrukking geeft aan het islamitische geloof.

Brede waaier collectieve aspecten godsdienstvrijheid

Waar de grenzen van het recht op vrijheid van godsdienst dan wel liggen wordt uitvoerig behandeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). In jurisprudentie heeft het EHRM gesteld dat religieuze organisaties een brede waaier van collectieve aspecten van godsdienstvrijheid moet worden toegemeten. Een van die rechten is dat een organisatie vrijelijk fondsen moet kunnen werven om diens bestaan te garanderen. Dit recht op zelffinanciering is echter niet immuun voor iedere vorm van overheidsbemoeienis. Verdragsstaten hebben nog altijd een ruime ‘margin of appreciation’ om een dergelijk financieringsstelsel in te richten.

Om de toets van Straatsburg te doorstaan zal het wetsvoorstel in ieder geval moeten voldoen aan de vereisten in lid 2 van artikel 9 EVRM. Lid 2 stelt namelijk dat een beperkende maatregel bij wet moet zijn voorzien en noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. In de Metropolitan Church zaak stelde het EHRM dat een maatregel sneller zal worden geaccepteerd als noodzakelijk, indien de maatregel een legitiem doel dient. Daarnaast mag er op basis van artikel 14 EVRM niet worden gediscrimineerd en moet de overheid zich opstellen als ‘neutral organiser of religions’. Om discriminatie te ondervangen zou de overheid op basis van het reciprociteitsbeginsel een verbod op financiering uit landen zonder godsdienstvrijheid kunnen instellen. Op deze wijze richt de maatregel zich niet slechts op de islamitische gemeenschap.

In conclusie zal de overheid zorgvuldig te werk moeten gaan om deze regeling te bewerkstelligen. Het huidige wettelijke systeem maakt een dergelijk verbod echter niet onmogelijk.

 

 

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven