Twijfels over morrelen aan ‘ne bis in idem’

Delen:

Er bestaat grote scepsis over het kabinetsplan vrijgesproken verdachten alsnog voor hetzelfde delict te kunnen vervolgen als nieuw en zeer belastend bewijs boven water komt. Betrokkenen menen dat de voorgenomen wetswijziging in de praktijk weinig zal uithalen en vooral verwachtingen wekt die niet kunnen worden waargemaakt. Zo spreekt de Nijmeegse hoogleraar Buruma van ‘symboolwetgeving’.

Uit een nota van wijziging die minister Opstelten van Veiligheid en Justitie vorige week bij de Tweede Kamer indiende, blijkt dat hij in meer gevallen een onherroepelijk vrijgesproken verdachte voor hetzelfde delict alsnog wil kunnen vervolgen, wanneer nieuw zeer belastend bewijs opduikt. Het besluit vloeit voort uit het regeerakkoord en wijzigt een reeds bij de Kamer ingediend wetsvoorstel dat ‘herziening ten nadele’ regelt en dat van toepassing is op misdrijven waar een levenslange gevangenisstraf op staat en die de dood van een ander tot gevolg hebben. Ook bij doodslag en bij gewelds- en zedenzaken met dodelijke afloop moet alsnog voor hetzelfde delict vervolgd kunnen worden, vindt de minister. Daarnaast wil hij met terugwerkende kracht strafzaken na vrijspraak kunnen herzien.

Symboolwetgeving

Volgens Pieter van der Kruijs, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten, zal dit voorstel niet veel uithalen. Het lijkt volgens hem vooral te gaan om het beeld van een harde aanpak dat dit kabinet wil uitstralen, net zoals bij het voorstel om de verjaringstermijn van zware delicten af te schaffen waarover op deze website vorige week het bericht ‘Afschaffing verjaringstermijn is symboolpolitiek’ verscheen. Van der Kruijs: “Het is onduidelijk wat dit plan in de praktijk oplevert. Het is enorm speculatief. De kans dat later alsnog sterk belastend bewijs wordt gevonden is heel klein. Er wordt zomaar getornd aan het fundamentele ne bis in idem beginsel zonder dat goed onderbouwd is waarom en tot welke resultaten het zal leiden. Het kabinet wil laten zien strenger te zullen aanpakken, maar het is meer bühne dan dat het tot echt iets zal leiden.”

Slechts zeven procent van alle strafzaken die voor de rechter komen, leiden tot een vrijspraak. En bij een nog veel kleiner percentage van die zaken zal alsnog zeer belastend bewijs kunnen opduiken. “Herziening ten nadele zal dus maar een heel enkele keer voorkomen. Ik vind het flauw om dit symboolwetgeving te noemen, maar het komt wel dicht in de buurt”, aldus Ybo Buruma, hoogleraar straf(proces)recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij kan zich wel iets voorstellen bij dit plan, maar alleen waar het de levensdelicten betreft. “Bij een levensdelict staat het fundamenteelste recht, het recht op leven, ter discussie. Het is om die reden goed verdedigbaar dat een vrijgesprokene bij nieuw bewijs alsnog vervolgd moet kunnen worden.”
In het persbericht van het ministerie over de nota van wijziging wordt gesproken over ‘gewelds- en zedenzaken met dodelijke afloop’. Feitelijk gezien bestaat een zedenzaak met dodelijke afloop wel, maar het is geen juridisch begrip. De verdachte zal in zo’n geval voor moord kunnen worden vervolgd. Het lijkt er op dat bedoeld is: ‘geweldszaken met dodelijke afloop én zedenzaken’. Als dat zo is, vindt Buruma dat onbegrijpelijk. “Zedenzaken zijn daarvoor veel te ‘vaag’. Vaak doet zich immers de vraag voor of er bijvoorbeeld daadwerkelijk een verkrachting is geweest. Bij alle levensdelicten weten we zeker dat er iemand dood is en bijna altijd zeker dat er sprake is van een delict. Bij zedendelicten zijn de feiten veel dubieuzer en dat maakt het problematischer. De gedachte dat het mogelijk wordt om deze twijfelachtige zaken opnieuw te kunnen ‘openbreken’, maakt mij zenuwachtig.”

Illusiewekkend

De Tilburgse hoogleraar straf(proces)recht Theo de Roos heeft ook zo zijn twijfels over het plan. “Evenals bij de verruiming van de verjaringsregeling die dit kabinet heeft voorgesteld geldt hier: een schep er bovenop. Het vorige kabinet kwam met een soort koppelverkoop: herziening ten voordele verruimen, in combinatie met de invoering van de herziening ten nadele, maar dan wel beperkt tot zeer zware delicten. Die categorie wordt door de nota van wijziging die nu is ingediend aanzienlijk verruimd. De argumenten zijn steeds dezelfde: traumatisering van nabestaanden en voortgeschreden technologische opsporingsmogelijkheden. Ook hier dreigt het gevaar van het wekken van illusies. Wat moet worden verstaan onder ‘zeer belastend nieuw bewijs’? Is een DNA-match daarvoor voldoende? Ik zou zeggen van niet. Een nieuwe procedure is niet alleen voor de gewezen verdachte maar ook voor de maatschappij belastend, mede gelet op het feit dat zij zeer wel (opnieuw) tot niets kan leiden (dat wil zeggen: niet tot een veroordeling). Dat gegeven pleit ervoor om, als men al de herziening ten nadele wil invoeren, deze te beperken tot de aller zwaarste misdrijven, zoals het vorige kabinet wilde.”

De voorgestelde verruiming wordt noodzakelijk geacht om de samenleving beter tegen daders van ernstige misdrijven te kunnen beschermen. Het ministerie stelt dat het moeilijk is te aanvaarden dat na vrijspraak voor een dergelijk misdrijf geen straf zou kunnen volgen, wanneer naderhand door technisch onderzoek nieuw zeer sterk bewijs is gevonden. Ook het voornemen om de herziening ten nadele met terugwerkende kracht mogelijk te maken, berust op de overweging dat bij deze misdrijven het belang van de samenleving zwaarder kan wegen dan dat van de vrijgesproken verdachte.

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven