Feiten
In de arbeidsovereenkomst van de werknemers is bepaald dat werknemers deelnemen aan de collectieve pensioenregeling. De voorwaarden van deze regeling zijn opgenomen in het Pensioenreglement, dat onderdeel uitmaakt van de Personeelsgids. In de arbeidsovereenkomsten is een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen. Aan de werknemers is eind 2015 gecommuniceerd dat de pensioenregeling is vernieuwd in verband met acute financieringsproblematiek en onbeheersbaarheid van de kosten van de pensioenregeling, alsmede de marktconformiteit van de huidige regeling. De werknemers waren het daar niet mee eens en wensten nakoming van de oorspronkelijke regeling. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemers afgewezen. Vervolgens heeft in hoger beroep het gerechtshof Amsterdam de werkgever alsnog veroordeeld tot nakoming van (delen van) de vorige pensioenregeling en uitvoeringsovereenkomst. Zowel de werkgever als werknemers hebben cassatieberoep ingesteld.
De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd. Na verwijzing moet opnieuw worden beoordeeld of de werkgever er een zwaarwichtig belang bij had dat de pensioenovereenkomst met zijn werknemers zou worden aangepast en of de belangen van zijn werknemers bij voortzetting van de pensioenovereenkomst daarvoor moeten wijken. Daarbij speelt ook de vraag, aldus gerechtshof Den Haag, of de pensioenovereenkomst eenzijdig door de werkgever kán worden gewijzigd op basis van het eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt (ECLI:NL:GHDHA:2025:2270). Het hof stelt vast dat het eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst van werknemers een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW is. De werknemers stelden dat dit niet zou zien op de pensioenovereenkomst, maar daar gaat het hof niet in mee. Daarvoor is van belang dat in de arbeidsovereenkomst is bepaald dat werknemers deelnemen aan de collectieve pensioenregeling van de werkgever overeenkomstig het pensioenreglement. De essentie van de pensioenovereenkomst vormt dus ook een onderdeel van het schriftelijke contract waarin de arbeidsovereenkomst is vastgelegd.
Een eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst van werknemers moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:613 BW, aldus het hof. De vraag die dan moet worden beantwoord is of de werkgever in deze een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van werknemers daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
De werkgever gaf daarbij aan, dat het ‘Nieuw Financieel Toetsingskader’ in 2015 hogere eisen stelde aan het eigen vermogen van het pensioenfonds, er sprake was van ongewenste volatiliteit in de begroting van de werkgever die veroorzaakt werd door de pensioenregeling, er een acuut financieringsprobleem voor de werkgever was dat werd veroorzaakt door de toenmalige pensioenregeling, het ministerie van Financiën de begroting dreigde af te keuren als de werkgever niet zijn pensioenregeling zou versoberen en de OR uiteindelijk akkoord is gegaan met het voorstel van de werkgever.
Het hof oordeelt dat de werkgever, AFM, hiermee een zwaarwegend belang had om de pensioenregeling te wijzigen. De werkgever bekleedt een zodanige positie en heeft daarvoor ter onderbouwing gewezen op het gegeven dat hij een publieke taak vervult en rekening moet houden met de ministeriële kaders om de hoge uitgaven voor de pensioenregeling terug te dringen en de pensioenvoorziening te versoberen. Daarnaast acht het hof ook het feit dat met de OR uitgebreid is overlegd en de OR daarna uiteindelijk heeft ingestemd met de wijziging van de pensioenregeling van belang. Dat is een belangrijke indicatie dat de werkgever een zwaarwegend belang had bij de wijziging.
Het hof overweegt vervolgens dat, gelet op dit grote belang dat de werkgever had bij de wijziging én het feit dat de OR daarmee na uitvoerig overleg heeft ingestemd, het enkele feit dat de pensioenvooruitzichten van werknemers aanzienlijk zijn verslechterd op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat het belang van de werkgever om te kunnen wijzigen hiervoor zou moet wijken.
Het hof is ook van oordeel dat de nieuwe pensioenregeling wél marktconform is en ook vergelijkbaar is met die van een vergelijkbare werkgever als De Nederlandse Bank. Bovendien zijn de werknemers die nadeel ondervonden van de wijzigingen daarvoor ook, zij het gedeeltelijk, gecompenseerd. Het hof wijst daarom de vorderingen van werknemers af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.
Conclusie
Een interessante uitspraak over de wijziging van een pensioenregeling. Zeker nu met alle wijzigingen door de Wet toekomst pensioenen (Wtp). Een wijziging op grond van dwingendrechtelijke wetgeving is iets makkelijker dan op basis van zwaarwegende belangen. Ook onder de Wtp zal er in voorkomende gevallen sprake zijn compensatie van nadeel van de werknemers. De Wtp geeft ook aan dat er gecompenseerd moet worden, maar ik verwacht zeker nog de nodige procedures over wat nu acceptabel is als compensatie. Als sprake is van een verzekerde pensioenregeling moet de compensatie uit het budget van de werkgever komen. Het begrip compensatie zal in de rechtspraak nadere invulling moeten krijgen. En daarbij zullen in de specifieke situaties alle feiten en omstandigheden een rol gaan spelen. Denk daarbij ook weer aan bijvoorbeeld de zwaarwichtige belangen van een werkgever om slechts tot een bepaald niveau te compenseren, maar ook de wel of niet instemming van de OR met de voorgestelde compensatie. Kortom, nog veel voer voor discussie, al dan niet bij de rechter.
