Artikelen

Reactie van Martin Vaessen

Als conservatieve tegenkracht uit de provincie, word ik door het interview met Dory Reiling over het mislukken van KEI-civiel uitgedaagd te reageren.

De gedachte dat KEI-civiel was bedoeld om civiele procedures te versnellen, is feitelijk nooit meer dan een opgeschreven cliché geweest. Allereerst omdat de Nederlandse procedure in vergelijking tot de landen om ons heen, al razendsnel is, zeker afgezet tegen het aantal rechters. Natuurlijk willen partijen altijd dat het nog sneller gaat. Alleen is de vraag hoe reëel die wens is. De rechter heeft ook gewoon tijd nodig om een oplossing te bedenken. In de gemiddelde civiele zaak hebben partijen vaak zelf er al jaren van ruzie op zitten voordat ze de zaak aan de rechter voorleggen omdat ze er niet meer uitkomen. Soms is meteen duidelijk dat de zaak ingewikkeld is, soms lijkt het alsof partijen wel erg hoog van de toren blazen. In de twintig jaar dat ik als rechter werk, is mijn ervaring in handelszaken echter dat iedere partij altijd een duidelijk op geld waardeerbaar belang heeft. Niemand legt zomaar grote sommen geld neer om een derde zijn problemen te laten oplossen. Zo verstandig zijn de meeste mensen gewoon. Soms is dat geldelijk belang wat lastig te vinden, en wordt het beeld vertroebeld door persoonlijke gevoelens, maar het is er altijd. En daar ligt dan de sleutel voor de rechterlijke oplossing, zij het dat dan vaak nog eens de rechterlijke worsteling met de toepassing van de wet moet gaan beginnen. Het mantra van mediators dat kort gezegd iedere zaak zichzelf oplost zodra men de vinger heeft weten te leggen op een onderliggende krenking, heeft mij nooit kunnen overtuigen. Daarvoor heb ik te veel – eigenlijk alleen maar – echte zakelijke geschillen aan mij voorbij zien trekken. Die zijn niet altijd ‘zelfoplossend’ of met een korte klap op te lossen.

Dat onder KEI een zaak in zeven weken helemaal is afgedaan (hoera!), zegt mij weinig. De praktijk leert dat ook de meest ingewikkelde zaken inclusief de hiervoor bedoelde bedenktijd de rechter niet meer kosten dan 40 uur. Een werkweek dus. Maar een civiele rechter heeft in zijn agenda meestal niet de ruimte om 40 uur aaneengesloten aan één zaak te besteden, domweg omdat het uit organisatie-oogpunt veel efficiënter is als hij tegelijkertijd een groter aantal zaken onder zijn hoede heeft, zodat hij altijd zijn tijd inhoudelijk goed kan besteden. Heel veel sneller dan het al ging, is feitelijk dus eigenlijk alleen maar te realiseren door meer rechters aan te nemen.

De ware reden voor KEI was dat men met de automatisering van het civiele proces een bezuiniging wilde bewerkstelligen. Op de griffies zou flink in het personeelsbestand gesneden kunnen worden omdat alles ‘automatisch’ zou gaan. De mensen die dit oppakten, dachten dat een voorbeeld genomen zou kunnen worden aan de Awb. Daarin was alles immers zo eenvoudig en helder geregeld. Dat bleek een misrekening om verschillende redenen. Het grootste deel van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt immers in beslag genomen door het notoir lastige beslag- en executierecht, dat nauw verweven is met het materiële civiele recht en de civiele procedure als zodanig. Niet alleen valt de Awb als het gaat om dwangbevelen, beslag, dwangsom en tenuitvoerlegging volledig terug op Rechtsvordering, maar ook voor het getuigenbewijs en nog wat andere bewijskwesties leunt de Awb zwaar op Rechtsvordering. En dan is er nog het bescheiden aantal rollen waar de Awb mee werkt: bestuursorgaan, belanghebbende en derde-belanghebbende. In het civiele proces bleek een veelheid aan rollen te bestaan. Maar niet gehinderd door al te veel kennis, toog men aan het werk. Er werden wat naambordjes verhangen in het eerste boek van Rechtsvordering en voor KEI werd een nieuwe simpele civiele procedure gepresenteerd. De grootste vernieuwing was de afschaffing van de rol, het unieke Nederlandse systeem waarmee de rechters zelf op uiterst efficiënte wijze het civiele proces voor het hele land hadden geüniformeerd en geautomatiseerd. Dat zou de rechter nu allemaal zelf in eigen regie gaan doen, waardoor nu ineens iedere (!) rechter dagelijks (!) alle lopende zaken even moet bekijken en zich bezig moet houden met futiliteiten als welke partij nog een akte mag nemen. Dat kost enorm veel tijd. Voor de rest had de vernieuwing niet veel om het lijf: alleen de meest basale standaardprocedure (eis, antwoord, zitting, vonnis) was geregeld. Zelfs met incidenten was geen rekening gehouden, naar verluidt omdat “die nauwelijks meer voorkomen”. Zo stuitte men in de praktijk op steeds meer problemen in relatief eenvoudige zaken. Voor de duidelijkheid: ik heb het hier niet over gevallen als een partij die zich op zoiets als de voorrang van artikel 3:264 lid 7 BW beroept en zich daarmee in een lopend geding of in een rangregeling wil mengen. Eerder vragen als “waarom is het oproepen van een buitenlandse verweerder niet mogelijk?”. Het begrip ‘Nederlands burgerlijk procesrecht’ bleek wel erg beperkt te zijn opgevat. Gaandeweg werd duidelijk dat de griffiemedewerkers − waar men dus van af wilde − toch wel erg veel kennis in hun hoofd hadden. Natuurlijk is die kennis allemaal te automatiseren, maar dat kost tijd en heel veel geld. En het blijft ook geld kosten omdat na iedere wetswijziging het systeem weer helemaal doorgelicht moet worden. Misschien was het dan toch efficiënter en goedkoper die paar honderd mensen op de griffies maar in dienst te houden?

Maar de advocatuur was er zo blij mee. Eindelijk kon men digitaal met de rechtbank communiceren en stukken langs digitale weg uitwisselen en dat 24/7. Er werd inderdaad driftig geüpload. Blijkbaar ging dat goed. Aan de achterkant, de zijde waaraan de rechter werkt, werd in grotere zaken echter een onontwarbare kluwen geproduceerd van processtukken, correspondentie en willekeurig geüploade producties die vaak ook nog niet goed genummerd waren. Met name nadat een zittingsdatum was bepaald en de door de rechter gemaakte zittingsagenda was bekendgemaakt, gingen partijen los en werd lukraak geüpload. Zo kon het gebeuren dat een rechter zich voor zijn zittingsvoorbereiding digitaal moet worstelen door zo’n 140 geüploade documenten met verwarrende of geen namen. Het bleek ook mogelijk verschillende versies van hetzelfde processtuk te uploaden (wat de rechter voor de interessante vraag stelde “welke zal ik kiezen?”). Regievoering bleek zo nauwelijks mogelijk voor de rechter, ook omdat de rol was afgeschaft. Ook het verdere beheren van het dossier was vrij hopeloos. Regelmatig raakten stukken als notities en voorbewerkingen helemaal kwijt en verdwenen zelfs hele zaken in een digitale Bermudadriehoek waarin zij pas weken later werden teruggevonden. Zonder een papieren schaduwdossier bleken vooral de ingewikkeldere zaken nauwelijks te behe(e)r(s)en. En dan was er nog de ergernis over de verouderde zaaksdossierviewer (het eigenlijke digitale dossier) waarmee gewerkt moest worden. Die vertoonde zoveel gebreken, weigerde zo vaak dienst en was zo lastig te bedienen dat ook daar eigenlijk helemaal niet mee te werken was. Overigens bleek op zitting steeds weer dat de advocaten met een keurig uitgeprint dossier kwamen, zonder laptop. Zij durfden het kennelijk niet aan om op het digitale dossier te vertrouwen.

Uiteindelijk kwam het erop neer dat de griffies bezig waren de digitale processen – die hen eigenlijk vervangen moesten, ik blijf het herhalen − zo goed en zo kwaad als het ging in de lucht te houden, vaak via ingewikkelde geitenpaadjes, terwijl de rechters en de juridische ondersteuning zich bezig hielden met het administratief verwerken van de zaken. Want zo geautomatiseerd bleek dat nu ook weer niet te zijn: er moest een veelheid aan handelingen worden verricht – vaak ook in een strikte en ingewikkelde volgorde omdat anders alles verloren ging – alvorens de zaak verder kon. Dat werk − dat eigenlijk alleen leuk is voor mensen die hun belastingaangifte al eind maart hebben gedaan − bleek allemaal te zijn belegd bij de juristen. Welke besparing deze opwaartse delegatie moest opleveren heeft mij tot op heden nog niemand kunnen uitleggen.

Mijn indruk is dat in de eerste fase veel te licht is gedacht over de complexiteit van het automatiseren van de civiele procedure. Het is overgelaten aan mensen met te weinig inhoudelijke kennis van zaken. Daar moeten we denk ik ook de hand in eigen boezem steken. We hadden nooit zomaar akkoord moeten gaan met het afschaffen van de rol. Daar had veel sterker tegen geprotesteerd moeten worden. En we hadden als civiele rechters meer grip moeten houden op het hele vernieuwingsproces. Er had kunnen worden volstaan met het verder digitaliseren van de rol, het openen van een digitale postbus en het inrichten van een digitale archiefkast. Het hoeft allemaal niet zo ingewikkeld. Men moet alleen weten wat het goede is, dat zien te behouden en altijd blijven zoeken naar iets beters. Dat laatste is lastig, want iets nieuws of anders is niet zomaar beter dan het goede wat men al heeft. Om die beoordeling goed te kunnen maken is veel inhoudelijke kennis nodig omdat men daarvoor zaken op waarde moet kunnen schatten.

Dat de Raad de moed heeft gehad dit heilloze project te stoppen, kunnen ik en mijn collega’s in de provincie alleen maar toejuichen.

Martin Vaessen
Senior rechter rechtbank Gelderland

Wilt u geen belangrijk juridisch nieuws meer missen?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Over de auteur

redactie Mr.

redactie Mr.

Recente vacatures

Recente vacatures
CODA – Gelderland Grensland (Rectangle)