Rechtbank aan wetgever: € 1.300 proceskostenvergoeding voor ‘Mulder-cowboys’ onuitlegbaar

De rechtbank Den Haag trekt een principiële streep waar het gaat om bezwaarbureautjes die een verdienmodel overhouden aan de hoge proceskostenvergoeding in Mulderzaken. De rechter wijkt af van jurisprudentie en vraagt de wetgever om in te grijpen.

Delen:

Paleis van Justitie, Den Haag (foto: de Rechtspraak)

Er is de laatste tijd veel te doen om commerciële bureaus die als gemachtigde bezwaarschriften indienen in eenvoudige administratieve zaken, en bij succes met geringe inspanning flinke proceskostenvergoedingen opstrijken. Ten aanzien van de waardering onroerende zaken (WOZ) bestaat bijvoorbeeld een levendige praktijk, die gemeenten met veel werk opzadelt. Staatssecretaris Van Rij (Fiscaliteit en Belastingdienst, CDA) gaf onlangs aan deze ‘WOZ-cowboys’ aan te willen pakken. Ook zaken in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, in de volksmond de Wet Mulder, zijn zeer lucratief. In zo’n Mulderzaak verlaagde de Haagse rechtbank onlangs de vergoeding van bijna € 1.300 naar € 100, in weerwil van staande jurisprudentie– “om principiële redenen”.

Simpele zaak

Het was zo’n simpele zaak: iemand had zestien kilometer harder gereden dan de toegestane vijftig kilometer per uur. Het Goudse adviesbureau Skandara, dat optrad als gemachtigde, zag echter een fout in het proces-verbaal: de verbalisant van dienst had daarin de verkeerde feitcode opgenomen… VB016 in plaats van VA016 (het ging om een gedragsregel binnen de bebouwde kom zonder verkeersbord A1). Tegen de ongegrondverklaring door de officier van justitie werd beroep ingesteld bij de kantonrechter. Die moest de betrokkene in het gelijk stellen wat betreft aanpassing van de feitcode, al was de verkeersboete terecht. Volgens de vaste lijn van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gebaseerd op jurisprudentie van de Hoge Raad, moeten de proceskosten dan worden vergoed.

Gemeenschapsgeld

Dat zou ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) neerkomen op € 1.284,75, maar dit vond de rechtbank niet te verkopen. Deze is het principieel met deze uitkomst oneens, want ze “kan aan de samenleving niet uitleggen dat de gemachtigde bijna € 1.300,– proceskostenvergoeding ontvangt – gemeenschapsgeld – terwijl zijn inspanningen in deze Mulderzaak gering zijn.” Het inhoudelijke beroepschrift telde slechts acht zinnen en ter zitting was nauwelijks iets aanvullend gezegd. Het Bpb beoogt volgens de rechter tegemoet te komen in de kosten, niet een verdienmodel in het leven te roepen. De vergoeding werd daarom verlaagd naar honderd euro.

Wetgever, geef wet!

Zich bewust van de kans dat het hof in hoger beroep alsnog de volle mep zou toekennen, en dat de rechter “de innerlijke waarde of billijkheid van het Bpb niet mag beoordelen”, voelde de rechtbank zich genoodzaakt een oproep te doen aan de wetgever. Ze komen maar al te vaak voorbij, bureaus die specifiek zijn opgericht om op no cure no pay-basis Mulderzaken te doen met gebruik van “copy-paste”-standaardverweren. De hoge vergoeding voor die toch zeer geringe inspanningen acht de rechter problematisch. “Het is aan de wetgever om op structurele wijze een einde te maken aan de te hoge proceskostenvergoedingen in Mulderzaken.” Tot die tijd zal de kantonrechter de lijn van het hof Arnhem Leeuwarden volgen, “tenzij hij dat niet aan de samenleving kan uitleggen.”

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven