Vastgeroeste voorlopige hechtenis

De laatste maanden is er in de strafrechtspleging veel te doen om de vraag of verdachten die in voorlopige hechtenis zitten voor een nieuwe verdenking de gelegenheid zouden moeten krijgen te worden geschorst om een oudere, onvoorwaardelijke straf uit te zitten.
beeld: Depositphotos

Het blijft aanmodderen met de toepassing van de voorlopige hechtenis in de Nederlandse strafrechtspleging. Waar enige tijd hoop gloorde aan de horizon die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vormt voor onze strafvordering, is in de praktijk maar weinig te merken dat de strafrechter actief op zoek gaat naar alternatieven voor het vastzitten of tracht die voorlopige hechtenis beter te motiveren. De omstandigheid dat Nederland onder toezicht staat van het Comité van Ministers mag wat dat betreft niet baten, zoals een rapport van het College voor de Rechten van de Mens aantoont. Ook het nieuwe Wetboek van Strafvordering schrijft in de moderniseringsslag dergelijke verplichtingen vanuit het EHRM expliciet voor. Art. 2.5.27 lid 1 NSv stelt bijvoorbeeld ‘strikte noodzakelijkheid’ als criterium voor toepassing, art. 2.5.21 lid 2 NSv benoemt de aangescherpte motiveringsverplichting voor de gronden en art. 2.5.31 NSv verplicht de rechter ambtshalve bij alle voorlopige hechtenis-zaken te onderzoeken of dat bevel kan worden geschorst. Toch is schorsing van de voorlopige hechtenis verdraaid lastig voor elkaar te krijgen. Vaak is een succesvol verzoek afhankelijk van de samenstelling van individuele rechters die de verdachte in raadkamer treft. Er is bijvoorbeeld geen circulaire of landelijk oriëntatiepunt vanuit de rechtspraak die de uitspraken van het EHRM en de nadrukkelijke wens van de wetgever recht doet en de zittende magistratuur als zodanig stimuleert.

Recent is een nieuwe dimensie aan de discussie over nut en noodzaak van ‘zitten boven schorsen’ toegevoegd. In een stroom aan beslissingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant werd aan de orde gesteld of de voorlopige hechtenis ten aanzien van een nieuwe verdenking kan worden geschorst om de verdachte in de gelegenheid te stellen een eerder aan hem opgelegde onherroepelijke en onvoorwaardelijke gevangenisstraf uit te zitten. Dit lijkt vanuit verdedigingsperspectief een no brainer vanwege het direct kunnen afrekenen met de verdachte door hem de oude straf uit te laten zitten, het hem ondanks dat ter beschikking te houden voor de justitiële autoriteiten en het voorkomen van complicaties bij de tenuitvoerlegging van nieuwe (voorwaardelijke) straffen met bijvoorbeeld bijzondere voorwaarden die behandeling of intensief toezicht impliceren. Deze specifieke rechtbank hanteert het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’ in dit soort gevallen en dat is ronduit verfrissend. Vanuit het OM wordt in het verzet daartegen bijna plichtmatig gewezen op de voorgeschreven executievolgorde uit de Ministeriële regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (uit 2019), de vermeende uitvoeringsproblemen bij AICE met bijbehorende risico’s en de principiële lijn van het gerechtshof Den Bosch dat alleen bij zwaarwegende belangen een dergelijke schorsing prevaleert boven de voorlopige hechtenis. Met dit alles maakt de rechtbank korte metten. De ministeriële regeling gold namelijk al toen de rechtbank (en het gerechtshof, tot aan die uitspraak uit 2025!) in dergelijke gevallen de voorlopige hechtenis schorste en het gerechtshof maakt helemaal niet duidelijk waarom het ineens afwijkt van de bestendige eigen lijn tot dan toe. Nog belangrijker acht de rechtbank dat voor het AICE-argument ondanks herhaalde vragen nooit enige feitelijke onderbouwing door het OM is gegeven welke concrete problemen dan zouden spelen en dat navraag bij AICE de rechtbank juist leert dat die praktische problemen er – behoudens enkele dagen benodigde speling – niet eens zijn.
Interessant is dat de rechtbank in een andere uitspraak dit tenuitvoerleggingsargument wegvaagt door te stellen dat problemen in de keten die zijn ontstaan doordat de Staat de executie van straffen heeft verlegd van het OM naar het ministerie zonder oog te hebben voor de complexe administratieve werkprocessen, voor rekening van de Staat komen. In weer een andere zaak legt de rechtbank uit waarom de redenering van het OM ten aanzien van de executievolgorde en de zwaarwegende belangen juist innerlijk tegenstrijdig is. De rechtbank ziet feitelijk alleen maar voordelen, onder andere ten aanzien van de mogelijkheden om bij de uiteindelijke strafoplegging in de zaak waarvoor de verdachte in voorlopige hechtenis zit meer maatwerk te leveren. Ook wordt het risico eerder vermeden dat verdachte ten opzichte van zijn straf te lang in voorlopige hechtenis zou zitten (art. 67a lid 3 Sv) en dat meer schadevergoeding verschuldigd zou zijn als die zou worden vrijgesproken. Deze werkwijze zou zelfs de enorme wissel die de voorlopige hechtenis trekt op de capaciteit van het gevangeniswezen aanzienlijk kunnen verlichten. Tot slot acht de rechtbank het schorsen in die gevallen veel meer in lijn met de jurisprudentie van het EHRM (vooruitlopend op een nieuwe klacht tegen Nederland) en het subsidiariteitsvereiste van het aanstaande nieuwe wetboek.

Er schuilt iets strijdbaars in de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en dat motiveert de verdediging te blijven pleiten voor een juiste toepassing van het vastgeroeste systeem van de voorlopige hechtenis. Het zijn sterke argumenten, die aantonen hoezeer rechters het verschil kunnen maken als ze maar zouden willen. Dat iets in gang is gezet, blijkt bijvoorbeeld uit beslissingen tot schorsing door andere rechtbanken. Bovendien heeft recent het gerechtshof Den Bosch van zich laten horen: “Van een onweerlegbaar vaststaande lijn van de gerechtshoven over de kwestie wel of niet schorsen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf is geen sprake. De beantwoording van die vraag bij concrete verzoeken ligt in het rechterlijk domein en is daarom per definitie overgelaten aan de rechter  die de concrete verzoeken beoordeelt.” Dat lijkt wat zuinig, maar biedt wel degelijk enig tegenwicht tegen de idee dat voorlopige hechtenis altijd voor zou gaan op de executie van oude gevangenisstraffen. Vanuit de rechtbank Zeeland-West-Brabant zijn nu prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad en nu is het wachten op het oordeel dat de mijns inziens voor de hand liggende uitkomst bevestigt.

Wilt u vanaf nu elke maand een samenvatting van alle snelrechtartikelen van Mr.-Online in uw mailbox? Klik hier

Meer weten over deze organisatie(s)?

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven