In deze kwestie (ECLI:NL:GHDHA:2026:2653) nam de werknemer deel aan de pensioenregeling bij zijn werkgever. Deze pensioenregeling bestaat uit een basisregeling en een excedentregeling. Beide pensioenregelingen waren bij een verzekeraar ondergebracht. Er was voor de werkgever geen sprake van een verplichte deelname aan enige regeling van een bedrijfstakpensioenfonds. Toch had de werkgever ervoor gekozen om vrijwillig de pensioenregeling van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken (PMT) te volgen. Voor de werknemers natuurlijk een bepaalde zekerheid in koers.
PMT heeft echter in door de te lage dekkingsgraad in 2013 en 2014 het besluit genomen om de pensioenen van de deelnemers met enkele procenten te korten. Een verzekeraar mag pensioenen niet korten in tegenstelling tot een pensioenfonds, dat dat wel mag doen. De verzekeraar in deze kwestie had de pensioenen dan ook niet gekort voor de werknemer.
Vervolgens gaat PMT in 2022, 2023 en 2024 weer indexeren. Uiteraard wilde werknemer deze indexeringen op zijn pensioen ook ontvangen. De verzekeraar heeft alleen de indexering van 2024, en dan nog slechts gedeeltelijk, toegepast. De verzekeraar stelde zich op het standpunt pas weer te hoeven indexeren als de kortingen zijn ingelopen. De werknemer vordert echter onvoorwaardelijke indexering. Het hof Den Haag wijst de vorderingen af.
Feiten
De werknemer heeft 29 jaar (tot in 1999) bij de werkgever gewerkt. En uit dien hoofde deelgenomen aan de pensioenregelingen van de werkgever. Op enig moment was het salaris zodanig, dat de werknemer boven de salarisgrens van de basisregeling uitsteeg en is gaan deelnemen aan de excedentregeling. De werknemer is vanaf 2016 met pensioen. In de pensioenregeling was bepaald dat de aanspraken gelijk zijn aan die welke hij zou hebben gehad als hij deelnemer was geweest bij PMT. Ten aanzien van de verhoging van de ingegane pensioenen was opgenomen dat de pensioenen jaarlijks worden verhoogd met een zeker percentage, in dezelfde mate als waarin PMT daartoe overgaat. Verder was overeengekomen, dat ook de te betalen eigen bijdrage voor de werknemer even hoog zou zijn als bij PMT. Bij iedere wijziging van de pensioenregelingen of de uitvoeringsovereenkomst werd steeds weer meegenomen dat de aanspraken en kosten gelijk zou blijven aan die van PMT. Inclusief indexeringen.
In 2013 en 2014 heeft PMT de aanspraken met 6,3% respectievelijk 0,4% moeten korten vanwege een te lage dekkingsgraad. De korting geschiedde op grond van artikel 134 Pensioenwet. Het is en verzekeraar niet toegestaan om pensioenuitkeringen te korten.
Oordeel
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werknemer in elk geval tot 2016 dus meer pensioen heeft ontvangen dan wanneer hij deelnemer zou zijn geweest bij PMT. Hij is immers nu niet met de kortingen geconfronteerd.
Uitgangspunt was echter dat de pensioenen gelijk zouden zijn aan die van PMT, zodat de kantonrechter oordeelt dat de verzekeraar met recht had kunnen beslissen de indexeringen van 2022 – 2024 eerst te verrekenen met de kortingen van PMT, zodat de pensioenuitkeringen weer gelijk gaan lopen. Dat zijn immers de aanspraken op grond van de pensioenregelingen. De kantonrechter merkt voorts op dat het excedentdeel niet is gekoppeld aan de PMT-regeling en daardoor helemaal geen indexeringsbepaling kent. En dus ook niet geïndexeerd hoeft te worden.
De werknemer gaat in hoger beroep. Het hof legt eerst de indexeringsbepalingen van het pensioenreglement uit aan de hand van de cao-norm. Beoogd is de basispensioenregeling zoveel als mogelijk gelijk te laten zijn aan die van PMT. Er is daarin geen onderscheid tussen opbouw en uitkering, zoals de werknemer wel beweerde. Uit de tekst van het reglement blijkt juist, aldus het hof, om de hele regeling zoveel mogelijk van PMT over te nemen. De pensioenuitkeringen dienen dan ook in beginsel gelijk te zijn. Ook in de uitvoeringsovereenkomsten in de loop der jaren en de uitleg daarvan zijn aanwijzingen hiervan te vinden. Bijvoorbeeld dat de uitkeringen aan de deelnemers verricht worden onder dezelfde voorwaarden als PMT.
Dat de werknemer in 2013 en 2014 beter af was dan bij PMT heeft louter zijn oorzaak in de verschillende geldende wetgeving voor pensioenfondsen en verzekeraars, zo legt het hof uit. De vraag doemt dan wel op of de verzekeraar, toen PMT weer ging indexeren, de kortingen eerst zou mogen inlopen.
Het hof zegt daarover dat het uitgangspunt van de basispensioenregeling is dat de aanspraken en uitkeringen uit hoofde daarvan in dezelfde mate worden verhoogd als de pensioenregeling van PMT. In de basispensioenregeling is echter niet (expliciet) voorzien in de situatie dat PMT de pensioenaanspraken en -rechten van haar pensioengerechtigden juist vermindert op grond van artikel 134 Pensioenwet (Pw). De verzekeraar mag dat niet en kon dan ook de pensioenen niet langer gelijk houden aan die van PMT.
Bij de verhogingen later is de verzekeraar de pensioenen weer terug in lijn gaan brengen met de bedoeling van de basispensioenregeling door niet te verhogen, maar pas tot verhoging over te gaan op het moment dat de uitkering van de verzekeraar weer gelijk was aan de uitkering van PMT.
Dat de pensioenregeling van de werkgever in een dergelijke situatie inlopen toestaat, is ook het meest aannemelijke rechtsgevolg, aldus het hof. Een andere uitleg zou tot het resultaat leiden dat deelnemers aan de pensioenregeling – ook in de toekomst – recht zouden houden op een hogere pensioenuitkering dan de deelnemers aan de PMT-regeling. Dat kan niet de bedoeling zijn van een regeling die juist gelijke uitkeringen voorschrijft.
De werknemer had ook nog gesteld dat de verzekeraar met deze handelswijze in strijd met artikel 134 Pw zijn pensioen toch heeft gekort, omdat niet verhogen ook (indirect) korten is. Dat wijst het hof af. Immers zijn toekenningen van toeslagen op pensioenuitkeringen, zoals in casu de voorwaardelijke indexatie, niet aan te merken als verworven pensioenaanspraken of pensioenrechten. Artikel 134 Pw ziet niet op het niet toekennen van dergelijke toeslagen. Het hof zet daarbij ook een streep door de stelling van de werknemer dat het niet toekennen van een enige indexering hetzelfde is als korten. De werknemer vergeet daarbij gemakshalve dat hij wel jarenlang een hogere uitkering heeft ontvangen en dat die hogere uitkering ook niet is teruggevorderd.
Conclusie
Een interessante uitspraak over de indexering van een pensioenregeling. Een discussie die veel in de praktijk voorkomt, omdat er natuurlijk altijd het spanningsveld is tussen indexering voor de verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds en een vrijwillig volgen daarvan bij een verzekeraar. Het hof geeft echter een goede afweging en uitleg van de gemaakte afspraken.
