Je bent opgeleid om het juridische verhaal van een ander helder te maken. Maar wie voert het pleidooi voor jou? Als het gaat over cliënten weet je precies wat je te doen staat. Je vraagt door, weegt belangen af en verdedigt een standpunt. Daar ben je in opgeleid.
Maar hoe zit dat als het over jou gaat? Wat doe jij als een collega of je baas vraagt of je dat dossier er nog even bij kunt nemen of over kunt nemen. Of die ene lastige cliënt even te woord kunt staan. Dat alles terwijl je agenda vol zit. “Natuurlijk”, hoor je jezelf zeggen.
Of je wordt tijdens een werkoverleg onderbroken. Je had een relevant punt, maar laat de ander het gesprek overnemen. Onderweg naar huis weet je precies wat je had willen zeggen. En waar je die collega of patroon had willen onderbreken met jouw argument.
Hoe komt het dat je voor een ander wél duidelijk kunt zijn? Tijdens je rechtenstudie leer je analyseren, argumenteren en een juridisch betoog opbouwen. Je leert een zaak te bepleiten. Maar als je weet hoe dat werk, betekent dat nog niet dat je leert voor jezelf te pleiten. Je eigen grens herkennen, een senior aanspreken of overeind blijven wanneer iemand teleurgesteld reageert: dat vraagt zelfkennis en oefening. Ook waar opleidingen aandacht besteden aan persoonlijke ontwikkeling, blijft de toepassing in een spannend gesprek een opgave.
Misschien heb je geleerd dat je anderen niet hoort teleur te stellen. Dat je kost wat kost altijd de ander helpt. Dat loyaliteit betekent dat je beschikbaar bent. Of dat je pas iets mag inbrengen wanneer je het helemaal zeker weet. Zulke overtuigingen bepalen hoe jij je gedraagt in het contact met de ander, ieder voorbehoud dat je maakt en iedere vraag die je inslikt.
Juist die overtuigingen kunnen het innemen van je eigen positie bemoeilijken. Wie de harmonie wil bewaren, zegt misschien ja om een ander niet teleur te stellen. Wie zorgvuldig wil zijn, blijft mogelijk schaven aan de onderbouwing, terwijl het moment om iets te zeggen voorbijgaat. Het goede nieuws is: je kunt deze patronen leren doorbreken. Dat begint met het herkennen van je eigen gedrags- en communicatiepatronen. Wat doe ik, hoe reageer ik, wanneer houd ik mijn mond? Na herkennen volgt erkennen -in plaats van wat juristen vaak doen: ontkennen met de bekende ‘ja, maar’. Om daarna te onderzoeken: wat maakt dat ik dat doe of zeg? Waar wordt ik getriggerd? Wat gebeurt er in mij?
Bepaal de positie die je in wilt nemen voor jezelf. Vervolgens kun je bepalen welke positie je in wilt nemen en bedenken hoe je dit communiceert. In het eerst genoemde voorbeeld zou dat kunnen zijn: “Ik help graag. Vandaag heb ik twee deadlines. Wat krijgt voorrang als dit erbij komt?” Of in het voorbeeld van het werkoverleg: “Ik wil mijn punt graag afmaken. Daarna hoor ik graag jouw reactie.”
Maak jouw belang bespreekbaar. Zo maak je jouw belang bespreekbaar en houd je ruimte voor de ander. Dát is volwassen communiceren. Jouw pleidooi begint met zelfkennis: begrijpen waarom je zegt wat je zegt én waarom je soms zwijgt. Je hoeft je niet harder op te stellen om je te laten gelden. Je hebt de bij jou passende woorden nodig, en de moed om ze te gebruiken.
Ook jouw belang verdient een helder pleidooi binnen kantoor.
