Nederland (wederom) aansprakelijk voor legergeweld in Nederlands-Indië

Delen:

Bijna driekwart eeuw later komen een aantal nabestaanden van geëxecuteerde Indonesische mannen in 1947 hopelijk toe aan afwikkeling. De nabestaanden stelden de Nederlandse Staat aansprakelijk voor standrechtelijke executies die plaatsvonden in 1947 en eisten schadevergoeding. De Nederlandse Staat beriep zich op verjaring. Op 1 oktober 2019 deed Gerechtshof Den Haag uitspraak.

Er woedde in Indonesië/Nederlands-Indië tussen 1945 (einde van de Tweede Wereldoorlog) en 1950 (onafhankelijkheid Indonesië) een bloederige strijd. Soekarno en Hatta, toenmalige leiders in de regio, riepen in 1945 de Republiek Indonesië uit. Tot 27 december 1949 erkende Nederland deze republiek niet. In deze tussengelegen periode voerden Nederlandse militairen zogenoemde ‘zuiveringsacties’ uit waarin executies zonder enige vorm van rechterlijk proces plaatsvonden.

De zaak


De kinderen van vijf nabestaanden stelden de Nederlandse Staat aansprakelijk en eisten schadevergoeding voor de executies die plaatsvonden in de dorpen Suppa en in de regio Bulukumba (Zuid-Sulawesi). Bij deze acties zijn ruim 450 mannen om het leven gekomen. Er vonden in de periode van 1945-1949 echter nog veel meer ‘zuiveringsacties’ plaats, zoals in Rawagedeh in West-Java, die ook heeft geleid tot een rechtszaak, in 2011.

Wel of geen verjaring?


In de Rawagedeh-zaak kwam het leerstuk van verjaring bij Staatsaansprakelijkheid al aan bod. De rechtbank overwoog in 2011 al dat er sprake was van verjaring naar oud-Nederlands recht. Het verweer van de eisers destijds was dat het beroepen op verjaring door de Staat in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank honoreerde dit verweer enkel ten opzichte van de weduwen van de geëxecuteerde mannen. Een van de eisers in de Rawagedeh-zaak was een dochter van een van de geëxecuteerde mannen. Haar vordering werd om die reden afgewezen.

Een interessante ontwikkeling volgde in 2015. In die zaak oordeelde de rechtbank dat er geen onderscheid gemaakt diende te worden tussen weduwen en kinderen. 22 Indonesische weduwen en kinderen kwamen aan hun recht, nu het in strijd was met de redelijkheid en billijkheid voor de Staat om zich te beroepen op verjaring.

Nog eens vijftien eisers dienden zich aan in 2017 naar aanleiding van bovengenoemde uitspraak in 2015. Volgens Rechtbank Den Haag zijn de eisers niet binnen een redelijke termijn overgegaan tot aansprakelijkstelling van de Staat, waardoor een beroep op verjaring van de Staat slaagde. De hoofdgedachte hierachter was dat de rechtszekerheid anders in het geding zou zijn. Dit terwijl er een andersluidend oordeel kwam van dezelfde rechtbank in 2016 en 2018.

De Nederlandse Staat ging in beroep tegen de bovengenoemde vonnissen van 2015, 2016 en 2018. Dat brengt ons eindelijk naar de uitspraak van 1 oktober 2019 door Gerechtshof Den Haag. En het oordeel van het Hof is enigszins bevredigend voor de nabestaande kinderen: het beroep op verjaring door de Nederlandse Staat is wederom in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Eerst deels, daarna wel, vervolgens niet. En nu weer wel. Een interessante wending van zaken waarbij ik benieuwd ben of er nog wordt gestapt naar de Hoge Raad. Ik kan mij namelijk voorstellen dat nog niet het nodige is geconcludeerd omtrent de rechtszekerheid.

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven