Schrijvers Goethe, Flaubert, Tolstoj, Kafka en Etty Hillesum, schilders Cézanne, Kandinsky en Matisse componisten Tsjaikovski en Stravinsky en tal van andere kunstenaars: ze studeerden allemaal rechten en werkten soms een tijdlang als jurist, zo lezen we in Meesterlijk mislukt (WJS Uitgevers). Waarom kozen zij toch voor de kunst?
“De meeste van deze mensen waren al jong artistiek, excentriek of wild. Het was begrijpelijk dat ouders zich zorgen maakten. De vader van Goethe was een hooggeplaatst jurist en drong zijn zoon de rechtenstudie op. Datzelfde gebeurde bij Flaubert en Matisse. Vooral Kafka was heel bang voor zijn dominante vader. Van een echte, vrije keuze was bij veel van de latere kunstenaars geen sprake; meestal hadden ze te maken met ouderlijke, meest vaderlijke (aan)drang of dwang. Dat komt bij niet-kunstenaars trouwens ook vaak voor: zo was het in mijn geval mijn moeder, een praktische zakenvrouw, die erop aandrong iets te gaan studeren waarmee ik aan de kost zou komen.
Maar uiteindelijk bleek bij de kunstenaars die ik in het boek beschrijf de creatieve impuls en de artistieke ambitie sterker dan de angst voor ouderlijke afwijzing.”
Franz Kafka, die zelfs promoveerde, duidde zijn rechtenstudie eens aan als “het verwerken van zaagsel dat al door duizenden bekken was voorgekauwd”. Zijn alle kunstenaars die u bespreekt zo negatief over de studie?
“Het spijt me voor de lezers van Mr., maar ik heb eigenlijk geen enkele ‘briljante artiest’ gevonden, die echt blij of positief terugkeek. Soms hadden ze wel bewondering voor de juridische systematiek, maar de studie of hun werk vonden ze dor, saai en taai.”
Komt het andersom ook voor, mislukte kunstenaars die (briljant) jurist zijn geworden?
“Ja, en dat is eigenlijk een mooi en vruchtbaar traject. Recente voorbeelden zijn Maarten Feteris, oud-president van de Hoge Raad, en Bart-Jan van Ettekoven, oud-voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij deden eerst conservatorium en daarna rechten. Onze eigen jongste zoon Maurits Ippel (34) rondde eerst de kunstacademie af, was twee jaar kunstenaar en ging op zijn 23e welbewust rechten doen. Hij is nu ‘strategisch adviseur’ bij de Nationale ombudsman, ook creatief en constructief werk.
Alle echt toonaangevende juristen hebben artistieke, sociologische of filosofische belangstelling. Menigeen deed meer dan alleen rechten: zo studeerde Hoge Raad-president Dineke de Groot, een oud-student van mij, geschiedenis naast rechten.”
Hoe kwam u op idee voor Meesterlijk mislukt?
“Ik ben ruim dertig jaar docent geweest bij vijf verschillende universitaire rechtenopleidingen. Ik heb vele duizenden studenten iets proberen mee te geven. Wanneer je alleen van het geldende, ‘positieve’ recht kennisneemt, is de juridische studie kaal en armzalig, vind ik. Het kan anders; ik zou zeggen: lees dit boek met veel plaatjes.”
Wilt u met uw boek nog een boodschap uitdragen?
“De rechtenopleiding zou rijker, kunstzinniger, muzikaler en uitlokkender kunnen en moeten worden. Het zou goed zijn als studenten wat later instromen, zo vanaf hun 21e. Laten ze zich eerst breder oriënteren of flink gaan werken.”
Wie of wat is uw bron van inspiratie?
“Zelf studeerde ik naast Nederlands recht ook af in filosofie en criminologie. Ik sloeg soms colleges over om een roman uit te lezen of omdat ik naar een (moeilijke) film ging. Ik ging regelmatig naar het Amsterdamse Stedelijk Museum, naar Paradiso of naar een jazzcafé. Zo vulde ik een culturele schatkamer voor de rest van mijn leven.”
Welke jurist verdient wat u betreft een compliment?
“Dat zijn zeker de Haagse rechters die tien jaar terug het verrassende en vernieuwende Urgendavonnis wezen. En ook vrouwelijke, dappere pioniers als Belle van Zuylen en Hilda Verwey-Jonker.”
Welk boek las u het laatst?
“Het boeiende boek ‘Broers’ van de van oorsprong Middelburgse schrijfster Carolijn Visser. Het gaat over haar eigen familiegeschiedenis, vooral over haar kunstzinnige ooms Martin Visser (meubelontwerper en kunstverzamelaar) en Carel Visser (experimenteel beeldhouwer). Maar nog veel indringender is ‘Een kleedje voor Hitler’, dat ik onlangs las. Het is geschreven door Bas von Benda-Beckmann, de zoon van twee juridische hoogleraren. Eigenlijk moet iedere rechtenstudent deze geschiedenis over de soms vreselijke lotgevallen van een van oorsprong aristocratische Duitse familie in de twintigste eeuw lezen.”
Met welke kunstenaar zou u weleens over het recht willen praten?
“Vooral met Vassily Kandinsky, die rond zijn dertigste hoogleraar Romeins recht kon worden, maar de wijk nam naar München om daar een kunstopleiding te volgen. Hij werd een van de echte vernieuwers in de schilderkunst, maar bleef ook zijn hele leven een geleerde docent. En als er dan inderdaad een tijdmachine zou bestaan: ook met Belle van Zuylen, geleerd, artistiek en op een charmante manier eigenzinnig.”
Als u het voor het zeggen had, dan…?
“Ik wil – hoewel van protestantse herkomst – niet voor dominee spelen. Maar juristen hebben een professionele en morele verantwoordelijkheid, zeker in deze donkere, gewelddadige tijd. De laatste zin van mijn boek is dan ook: ‘We hebben juristen nodig met kennis van zaken, met verbeeldingskracht en met moed’.”
