Verhuur van zorgcomplexen – woonruimte of 230a-ruimte?

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Bij vonnis van 29 oktober 2014 (Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2014:7142) stond de vraag centraal welk huurrechtregime van toepassing is op de verhuur van een complex voor begeleid wonen. Het complex bestond uit zowel kantoorruimte als woonruimte en er waren twee aparte huurovereenkomsten gesloten. De huurder stelde zich primair op het standpunt dat op beide huurovereenkomsten het woonruimteregime van toepassing is en subsidiair dat zou moeten worden gesplitst in een huurovereenkomst voor woonruimte en 230a-ruimte.

De kantonrechter stelt voorop dat beslissend is hetgeen partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, omtrent het gebruik daarvan voor ogen heeft gestaan (HR 24 december 1994, NJ 1994, 215). De kantonrechter komt tot de slotsom dat op het gehuurde niet het huurregime voor woonruimte van toepassing is, waarbij de kantonrechter onder meer van belang acht dat verhuurder geen woonruimte heeft gerealiseerd met de bedoeling die los aan individuele bewoners te verhuren: het ging exclusief om verhuur aan een instelling in het kader van begeleid wonen.

De kantonrechter sluit voor wat betreft de subsidiaire vordering van huurder tot splitsing aan bij het voor splitsingsvraagstukken standaardarrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2012 (NJ 2012, 141). In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat voor de beantwoording van de vraag of een gemengde overeenkomst kan worden gesplitst in afzonderlijke huurovereenkomsten alle omstandigheden van het geval van belang zijn, waaronder het gebruik dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan, het gebruik dat thans van het gehuurde wordt gemaakt, de inrichting van het gehuurde in relatie tot dat gebruik en de gevolgen van een eventuele splitsing voor het (overeengekomen en feitelijk) gebruik. Op basis hiervan komt de kantonrechter tot het oordeel dat splitsing niet aan de orde is. Daarbij overweegt de kantonrechter nog dat huurder geen nadrukkelijk belang voor de splitsing heeft aangevoerd, anders dan een verlaging van de huurprijs voor de wooneenheden, doch dat niet is gesteld of gebleken dat de gebruikers van de wooneenheden hiervan zullen profiteren, nu de gebruikers geen huurder van verhuurder zijn, maar daar op basis van een CIZ-indicatie verblijven.

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Meest gelezen berichten

Van onze kennispartners

Juridische vacatures

Wageningen University & Research zoekt een

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten..

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl

Scroll naar top