Werkgever gehouden tot indexering pensioen: uitleg verschil betalingsvoorbehoud en wijziging pensioen

De werkgever is gehouden tot indexering van het pensioen als het een onvoorwaardelijke indexeringstoezegging betreft, zo blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad.

Delen:

beeld: Depositphotos

In het pensioenreglement van juli 1993 van de werkgever is een onvoorwaardelijke indexering aan de werknemers toegezegd. Er is een jaarlijkse indexering bepaald. Werknemers stellen dat de werkgever deze jaarlijks wisselende indexering over de jaren 2002-2017 niet correct heeft toegepast. De werknemers zijn in deze periode allemaal met pensioen gegaan. Zij vorderen alsnog nakoming van de indexering. Partijen verschillen met name over de inhoud van de indexeringsregeling. Voorts heeft de werkgever, na vooraankondiging daarvan, de indexeringsregeling per 1 januari 2018 aangepast door deze eenzijdig te wijzigen in een vaste jaarlijkse indexering met één procent. Deze indexering is ingekocht bij de pensioenverzekeraar Aegon N.V.

De kantonrechter heeft deze wijziging van de indexeringsregeling wegens strijdigheid met de bepalingen van de Pensioenwet niet rechtsgeldig geoordeeld en de vorderingen van de werknemers toegewezen. Het hof heeft dit oordeel bekrachtigd. Het hof ziet geen, althans onvoldoende, grond voor een van de aangevoerde wijzigingsgronden. Immers is een wijziging in theorie niet onmogelijk, maar deze moet (zeer) terughoudend worden beoordeeld. De werkgever voerde zes argumenten aan, welke door het hof worden afgewezen als volgt:

  • de financiële situatie van de werkgever is niet zodanig zwaarwegend negatief dat dit een wijziging van de indexeringsregeling onontkoombaar maakt; 
  • de inkomsten uit ‘schaatsactiviteiten’ zijn voldoende om pensioenlasten te voldoen; 
  • beroep op de invoering van de Pensioenwet in 2007 heeft niet geleid tot een aanmerkelijke verzwaring van de lasten. De betaling van de indexering is geen zodanige last dat de arbeidsovereenkomsten met de huidige werknemers op de tocht komen te staan; 
  • de winstdeling bij een verzekeraar kan fluctueren, gezien het rendement op beleggingen. Dat ligt in het risicodomein van de werkgever; 
  • Aegon heeft tussen 2007 en 2018 steeds toepassing gegeven aan uitvoering van de jaarlijkse indexering. De historie toont geen onmogelijke nakoming; 
  • het staat partijen vrij nadere afspraken te maken, maar nu een afspraak ontbreekt moet er worden nagekomen.

De werkgever ging in cassatie, maar ving ook daar bot. De Hoge Raad volgde de advocaat-generaal, die een lesje uitleg Pensioenwet geeft in zijn conclusie.
Op grond van artikel 19 Pw kan een werkgever een pensioenovereenkomst zonder instemming van de werknemer wijzigen. Artikel 20 Pw bevat echter een dwingendrechtelijk wijzigingsverbod: in beginsel kunnen opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten niet worden gewijzigd door aanpassing van de pensioenovereenkomst. 

Naast het eenzijdig wijzigingsbeding (art. 19 Pw) kan onder omstandigheden via: 

  • tussenkomst van de rechter de pensioenovereenkomst eenzijdig worden gewijzigd op grond van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) of 
  • de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en 6:248 BW) en/of 
  • de eisen van goed werknemerschap (art. 7:611 BW).  En 
  • naast de mogelijkheid van een wijzigingsbeding ex artikel 19 Pw en wijziging via rechterlijke tussenkomst is er op grond van artikel 12 lid 1 Pw ook de mogelijkheid om een betalingsvoorbehoud in de pensioenovereenkomst op te nemen. Een beroep op het premiebetalingsvoorbehoud is echter alleen mogelijk in het geval van, zoals de A-G noemt, ingrijpende wijziging van omstandigheden. Dat was onder de PSW ook al zo. 

Volgens de A-G moet in deze zaak het beding in het pensioenreglement worden gekwalificeerd als een artikel 12 Pw-beding dat echter alleen ziet op premiewijzigingen. Hier zijn de werknemers al met pensioen en gaat het om een toeslag, niet om premiebetaling. Om die reden ressorteren de werknemers niet onder het financieringsvoorbehoud. 

Oordeel 

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht. Een oordeel dan ook op grond van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Meest gelezen berichten

Van onze kennispartners

Juridische vacatures

Scroll naar boven