Financieel-economisch strafrecht

Fraude van materieel belang

De externe accountant die tijdens een controle het redelijk vermoeden krijgt dat sprake is van ‘fraude van materieel belang ten aanzien van de financiële verantwoording van de controlecliënt’ is verplicht daarop actie te ondernemen. De Wet toezicht accountantsorganisaties stelt als regel voorop dat de accountant die fraude moet melden aan een opsporingsambtenaar (artikel 26 lid 2 Wta), maar die melding mag volgens het Besluit toezicht accountantsorganisaties achterwege blijven indien de controlecliënt een behoorlijk herstelplan opstelt en uitvoert (artikel 37 Bta).

Vermoedelijk is de uitzondering belangrijker dan de regel. Er wordt zelden gemeld. Ongetwijfeld speelt daarbij mee, dat de accountant hier moet werken met een zeer onduidelijk begrip. De term ‘fraude’ is in de strafwet niet gedefinieerd. Het is een term waar iedereen een beeld bij heeft, maar die allerminst scherp omlijnd is. En dat laatste geldt ook voor de toevoeging dat de fraude waar de accountant actie op moet ondernemen ‘van materieel belang’ moet zijn.

De wetgever heeft wel een poging gedaan om het begrip fraude van materieel belang nader te omschrijven, namelijk als “een opzettelijk handelen of nalaten waarbij misleiding wordt gebruikt om een wederrechtelijk voordeel te behalen en waarbij de aard of de omvang zodanig is dat beslissingen die in het maatschappelijk verkeer worden genomen op grond van de financiële verantwoording van de controlecliënt zouden kunnen worden beïnvloed door die misleiding” (artikel 36 Bta).

De verantwoordelijke minister zei daarover destijds: “Het is een heel wijdlopige omschrijving, maar daarmee schijnen juristen toch aardig uit de voeten te kunnen.” Dat laatste waag ik te betwijfelen. Met zo veel vaagheid kan een jurist weinig aanvangen. Zou het de accountant dan beter afgaan?

Sommige accountants menen dat fraude op grond van haar ‘aard’ eigenlijk altijd van materieel belang is te achten. Maar dat is moeilijk te rijmen met de wettelijke omschrijvingen. De fraude moet immers ook zijn begaan ‘ten aanzien van’ de jaarrekening en moet beslissingen die worden genomen ‘op grond van’ die jaarrekening kunnen beïnvloeden.

Verder maakt de wijdlopige omschrijving bepaald niet duidelijk op welke misleiding zij nu het oog heeft: misleiding van het fraude-slachtoffer of misleiding van de gebruiker van de jaarrekening? Of moeten die samenvallen?

De praktijk zou gebaat zijn bij een scherpere definitie.

Wilt u geen belangrijk juridisch nieuws meer missen?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Over de auteur

Daan Doorenbos

Daan Doorenbos

Daan Doorenbos is partner bij Stibbe en hoogleraar ondernemingsstrafrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Recente vacatures

Recente vacatures