Derdenwerking vereist specifieke motivering

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Een van de pijlers van het contractenrecht is het beginsel van de relativiteit van de overeenkomst. Dit houdt in dat een overeenkomst alleen hen bindt die daarbij partij zijn, maar voor derden geen rechten of verplichtingen in het leven roept.

Wel zijn op dit beginsel uitzonderingen mogelijk. Wie als derde te dicht bij een overeenkomst in de buurt komt, kan zich (onvermoed) in het krachtenveld van die overeenkomst bevinden en daar rechten en/of plichten aan ontlenen. De overeenkomst heeft dan derdenwerking.

Op enkele wettelijke voorbeelden na (zoals de paardensprong of de CAO) is deze derdenwerking een nogal vaag instrument. Of van derdenwerking sprake is hangt immers – hoe kan het ook anders? – af van de omstandigheden van het geval, wat de rechtspraak over dit onderwerp casuïstisch maakt. De Hoge Raad heeft in HR 20 juni 1986, NJ 1987/35 (Deka-Hano/Citronas) een waaier aan mogelijk relevante omstandigheden opgesomd, die weinig houvast bieden. In de praktijk wordt veelal aangesloten bij de onderlinge economische samenhang tussen de betrokken rechtsverhoudingen.

Dat derdenwerking echter beslist een uitzondering is, blijkt uit het recente arrest van de Hoge Raad (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1627 (Eneco Tour)). Daarin hadden de organisatoren van een wielerronde samen afgesproken om dit evenement in de toekomst niet zonder elkaar te organiseren. Eneco was geen partij bij deze overeenkomst, maar was wel als sponsor bij het evenement betrokken. Na geruzie over en weer trok Eneco haar steun in en vroeg zelf een vergunning aan voor het organiseren van een wielerronde. Volgens de voormalige organisatoren van de wielertour was dat onrechtmatig, gelet op hun onderlinge afspraak (waarbij Eneco zoals gezegd geen partij was). Zowel de rechtbank als het gerechtshof geven hen gelijk. Eneco had dus als nauw betrokken derde de afspraak tussen de organisatoren ook zelf moeten naleven.

De Hoge Raad casseert. Hij oordeelt dat het uitgangspunt is dat overeenkomsten alleen partijen binden. Daarom moet het oordeel, dat een contractueel beding doorwerkt in een daarmee samenhangende rechtsverhouding, specifiek worden gemotiveerd. Een duidelijk signaal dat de derdenwerking van overeenkomsten in samenhangende rechtsverhoudingen niet al te gemakkelijk mag worden aangenomen.

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten..

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl

Scroll naar top